FRNL
   
  • 55€
  • 1010€
  • 2020€
  • 5050€
  • 100100€
  • 500500€
   

Bruegel, de molen en het kruis

De 10 december aan 05:12

Door Karel Vereycken, stichter Agora Erasmus

Film van Lech Majewski, met Rutger Hauer, Charlotte Rampling en Michael York.
In België vanaf februari 2012.

Het enorme schilderij (170 x 124 cm), of anders gezegd, de reuze-miniatuur (500 personages), waarvan deze film uitgaat, heet De kruisdraging (Kunsthistorisches Museum Wenen, Oostenrijk), geschilderd door Pieter Breugel de Oude in 1564, toen het Spaanse Imperium, onder het voorwendsel ketterij te bestrijden, een bloedige besparingspolitiek oplegde aan de welstellende en dichtbevolkte Nederlanden.

In werkelijkheid waren de Habsburg dynastie en haar bankiers de Fuggers van Augsburg zo goed als failliet en Spanje kende in 1557 het eerste staatsfaillissement. Later, ondanks al het goud van Zuid-Amerika en Alva’s “Bloedraad”, slaagde Spanje er niet in nieuwe faillissementen te vermijden: in 1560, 1575 en 1595.

Dankzij deze film krijgt een niet ingewijd publiek toegang tot een tot nu weinig toegelichte dimensie van Bruegel, namelijk deze van een politiek geëngageerde schilder, waarschijnlijk lid van de Schola of Familia Caritatis (Huis van Liefde) in Antwerpen, een humanistische kring opgericht door Hendrick Niclaes waar tevens de drukker Christoffel Plantijn en de beroemde cartografen Ortelius en Mercator lid van waren.

JPEG - 105.2 kB
Pieter Breugel de Oude, De kruisdraging (1564)

Het maken van dit schilderij was op zichzelf al een riskante weerstandsdaad tegen de gang en wandel van de Rhoode rox, de Spaanse huurlingen in rode tuniek, een soort van SS van de Spaanse bezetting. Paradoxaal gewijs is het in naam van de “echte” religie dat zij hier Christus naar de Golgatha brengen voor zijn kruisiging.

In 1999, gedurende een interview in Parijs, vertelde me de kunstcriticus en Bruegel kenner Michael Francis Gibson, die samen met de Pools-Amerikaanse symbolistische kunstschilder en regisseur Lech Majewski het script schreef voor deze film, dat voor Bruegel “de wereld breed” is, omdat hij universeel is, dat is “allesomvattend”. Hij schildert “alles wat er bestaat van kleuters tot ouderlingen; van kinderspelen tot de meest afschuwelijke folteringen. Beiden worden tegelijkertijd getoond. Het is daarom dat ik zo onder de indruk ben van de centrale groep die naar de Golgotha gaat in De kruisdraging. Men ziet er een grote jongen die de muts van een rakker steelt terwijl deze laatste ze tracht te heroveren. En juist daarnaast wordt de executie voorbereid van de ongelukkigen op weg naar de Golgotha.”

Met dezelfde methode slaagt de film erin via tegenstellingen leven te geven aan een twaalftal figuren van Bruegels schilderij. Voeg daarbij de fluwelen landschappen, bekomen dank zij ingenieuze speciale effecten, en de filosofie van de schilder wordt zichtbaar als een esthetische en tastbare werkelijkheid.

Het probleem van het symbolisme.


Men kan, en moet, natuurlijk vragen stellen betreffende bepaalde symbolische interpretaties die naar onze mening een film vergiftigen die anders nog grandiozer had kunnen zijn.

JPEG - 46.7 kB
De marskramer als tegenpool van de molen op de rotspartij (detail van de Kruisdraging)

Enkele voorbeelden. Wanneer het inderdaad een feit is dat men echt moet zoeken om de Christus figuur te vinden – die zich nochtans precies in het midden, op het kruispunt bevindt van de diagonalen – is het meest zichtbare element van het schilderij de enorme rotspartij, gekroond door een molen, met direct daaronder, totaal op de voorgrond, een marskramer die ons de rug toekeert.

Het is voornamelijk, maar niet alleen, in het werk van Joachim Patinir (1480-1524), een schilder in de kring van de vrienden van Erasmus in Antwerpen, dat zowel gigantische rotspartijen als marskramers zich voordoen voor Bruegel.

In zijn boek heeft Professor Eric De Bruyn [1] op overtuigende manier bewezen dat marskramers, zoals deze aanwezig op de buitenpanelen van De Hooiwagen van Jeroen Bosch, als metafoor fungeerden om een specifiek idee uit te drukken. Namelijk het hoog filosofisch concept ontwikkelt bij Augustinus, en terug opgepikt door de Broeders van het Gemene Leven, dat er van uitgaat dat de menselijke ziel, via een persoonlijke inzet, zich permanent moet onthechten, en zoals een marskramer, moet leren alles achter zich te laten. Elk vastklampen aan wereldse gelegenheden, zelfs de goede, werd beschouwd als iets wat de ziel fataal naar de zonde en haar ondergang kon leiden.

Bovendien, schilderden Patinir en consorten, ad infinitum, variaties op de metafoor van de rots, een metafoor van het bivium, de tweesprong op de weg waar de mens moet kiezen tussen de gemakkelijke weg van het kwaad en het steile, rotsige pad naar de deugd. Bij vele schilders, werd op die manier de rots zelf tot symbool van de deugd verheven. [2]

De filmmakers hebben spijtig genoeg deze relatie tussen de marskramer en de rotspartij overkeken. De marskramer, beweren ze, is een symbool van het protestantisme. Bovendien heeft Bruegel hier het traditionele beeld van een God de vader die door de wolken komt piepen vervangen met een menselijk wezen, een molenaar, zo gaat het. Dat klopt wel voor wat men ziet op het schilderij, maar de vraag blijft welke bedoeling de schilder aan deze metamorfose geven wou. Vanaf de Renaissance, leert men in de school, nam de mens de plaats in van God. Exit dus elke vorm van transcendentie? Of gaat het hier over de “grote architect” die de bevoegdheid kreeg over de grote kringlopen van het universum die door niets te stoppen zijn, zelfs niet de kruisiging van Christus?

Vanuit het standpunt van “filosofie van Christus” die dominant was in Erasmus kringen in die tijd, en ook vertrekkende van de marskramer/rotspartij metafoor die we zonet beschreven, stellen wij dat Breugel hier een andere boodschap had: een maatschappij die, zoals Spanje toen, molenaars (in die tijd het archetype van de woekeraar, vandaag zou men zeggen de City en Wall Street) op een pinakel plaatst, is een samenleving die zichzelf en haar burgers, met inbegrip van Christus, tot de dood verdoemt! Erger nog, verblind door de molen, verliest zelfs de aanschouwer Christus uit het oog!

Vlaamse en Nederlandse spreekwoorden zijn genadeloos voor molenaars. Zij leefden immers aan de rand van de stad en werkten dikwijls ’s nachts. Behalve verdacht te worden kinderen van hun onderdanen seksueel te misbruiken, werden de toen meestal rijke molenaars bestempeld als dieven, oplichters, woekeraars, zotten, speculanten, uithongeraars, echtbrekers en verleiders.

Veel spreekwoorden bevestigen die slechte reputatie: “Honderd bakkers, honderd molenaars, honderd kleermakers: driehonderd dieven”. Of: “Alle molenaars zijn geen dieven”. Een liedje van het Antwerps liedboek van 1544 legt de klemtoon op de losbandigheid van de molenaar:
« Ick en mach niet meer ter molen gaen. Hillen billen metten iongen knechten/ stampt stamperken stampt \ stampt hoerekint stampt/ Stampt stamperkin inde molen. ».

In Bredero’s Klucht van de molenaar (1618), denkt die te genieten van overspel, maar hij is zo bedronken, dat hij zelfs niet beseft dat hij seks heeft met zijn eigen vrouw!

JPEG - 35.4 kB
De molen als metafoor van financiële vraatzucht. Detail van Gulla, een tekening van Pieter Bruegel de Oude.

De Kroniek van de Kempen, uitgave 1982, herinnert ons eraan dat “Van de molenaar werd strikte eerlijkheid verwacht. Maar hij had vaak de naam een oplichter en een korendief te zijn. Hij was namelijk in de gelegenheid om de boeren te bedriegen en de redenering was dat de gelegenheid de dief maakte. In oudere liederen, gedichten en kluchten komt de molenaar vaak voor als een verleider, echtbreker en bedrieger.”

Bruegel zelf, in Gulla (vraatzucht), een tekening uit de reeks over de Zeven hoofdzonden, toont ons een molen in de vorm van een gigantisch mensenhoofd. De boeren brengen zakken koren die via de mond, hier de deur van de molen, worden opgeslokt. Het gaat natuurlijk over de financiële vraat- en hebzucht van de molenaars. Bovendien is Bruegel’s molen bekroond met een steenuil, zowel in de Nederlanden als in Spanje het symbool van een kwaadaardige geest die het vermogen bezat zijn slachtoffers in de duisternis te misleiden. Men moet ook niet vergeten dat Cervantes’ Don Quichot de oorlog verklaarde aan molens die hij als kwaadaardige reuzen beschouwde.

Als besluit, moet men ook vaststellen dat de film zich met moeite een einde zoekt. Hoewel, na de kruisiging van Christus de bliksem die vervloekte molen had kunnen afbranden, komt het hier niet tot goddelijke gerechtigheid. Alleen een elite wordt bewust van wat er gaande is, maar het leven, zoals de molen, herneemt zijn gang. Filosofisch is dat een tragisch einde want wie kan geloven dat Bruegel, wiens volgelingen en medewerkers enkele jaren later een sleutelrol speelden bij de opstand der Nederlanden in 1572, zich vergenoegde in de rol van eenvoudige getuige van zijn tijd? Het besef van het onvermijdelijk tragische en geraffineerd komische van het dagelijks leven wordt een flauwe grap als dat alleen maar resulteert in onmacht en verloochening van de mensheid?

[1] Eric de Bruyn, De vergeten beeldentaal van Jheronimus Bosch, Adr. Heiners Uitgevers, ’s Hertogenbosch 2001.

[2] R. L. Falkenburg, Joachim Patinir : Het landschap als beeld van de levenspelgrimage, Nijmegen, 1985; Karel Vereycken, Joachim Patinir et l’invention du paysage en peinture, november 2008.

 Naar een vriend(in) sturen  Contact opnemen
 
Ook de moeite te lezen
 
   
  • 55€
  • 1010€
  • 2020€
  • 5050€
  • 100100€
  • 500500€