FRNL
   
  • 55€
  • 1010€
  • 2020€
  • 5050€
  • 100100€
  • 500500€
   

Hoe Erasmus’ zotheid onze beschaving redde

De 20 oktober aan 04:10

Karel Vereycken,
stichter Agora Erasmus

Voorwoord

Elke tekst is noodzakelijkerwijs het resultaat van een keuze. Alleen een zot zou niets overzien. Wij sporen dus de pantagruelische [gigantisch gulzige] lezers aan hun reuzehonger te stillen met de klassieke werken over Erasmus van Renaudet en Bataillon, maar ook heel speciaal met het uitmuntend boek van de Amerikaanse historicus James D. Tracy, Erasmus of the Low Countries. Zoals Chomarat, Margolin en Halkin, levert deze auteur de rijpe vrucht van jaren ijverig onderzoek. 

 

Inleiding 

De periode die zich uitstrekt van het begin van de godsdienstoorlogen (1511) tot aan de Vrede van Munster (1648) die daar een einde aan bracht, noemt men wel eens een “kleine duistere eeuw”. Naast gruwelijke oorlogspraktijken ontdekt de mensheid eveneens in 1511 Erasmus’ Lof der Zotheid.  In feite een tragische ironie van de geschiedenis gezien Erasmus in dit werk al heel duidelijk het begrip formuleert van het “voordeel van de andere”, een revolutionair concept dat die oorlogen juist had kunnen verhoeden en dat later, in 1648, wijselijk opgenomen door kardinaal Mazarin, het sleutelidee zal worden om van de Westfaalse vredesconferentie een succes te maken.

Men vindt hetzelfde idee ook heel duidelijk terug in de woorden van een der bewonderaars van Erasmus, François Rabelais. Deze Franse humanist, in zijn relaas over de reus Gargantua, voortbouwend op Plato’s Symposium, vermeldt dat op Gargantua’s geboortepenning een menselijk lichaam staat uitgebeeld met twee naar elkaar kijkende hoofden en voorzien van vier armen, vier benen en dus ook twee achterwerken. Daar rond leest men in Ionisch (in Griekse lettertekens in het origineel): “Agapè zoekt zijn eigen voordeel niet”. De Griekse taal, behalve Eros (zinnelijke liefde) en Filias (broederliefde) beschikt ook over het woord Agapè (Caritas in het Latijns) om het idee van grenzeloze naastenliefde, totaal vrij van elke vorm van eigenbelang, aan te duiden. 

De godsdienstoorlogen die uitbraken in het begin van de zestiende eeuw, bestempeld als oprui-oorlogen door Erasmus sinds het ging over oorlogen tussen christenen, waren in werkelijkheid niets dan de wanhopige tegenreactie van de grote financiële en feodale machtsstructuren. Men denke hier aan de bankiers van Lombardije (Milaan), van Genua, van Venetië of de Fuggers van Augsburg. Voor hen, gaat er om de klok achteruit te zetten en de rechten en vrijheden, verworven door een dappere ontvoogdingsstrijd in de XVde eeuw, te vernietigen. Deze nieuwe, vurige eis voor politieke hervorming, die door de Renaissance gekoesterd werd, willen zij met één ruk van de tafel vegen.  

Als de mensheid erin slaagde deze “tegen-Renaissance” te overleven, waarvoor de brandstapels van de Inquisitie en de woorden van de Jezuïeten tijdens het Concilie van Trente alleen maar karikaturen zijn, is dat in wezen omwille van de actie, de liefde en het werk van één grote man, Erasmus van Rotterdam (1466-1536), wiens gloed van wijsdom zijn tijdperk en de volgende eeuwen heeft verlicht zoals de vuurtoren schippers behoedt. 

Sinds het Trentse Concilie wordt Erasmus werk, beschuldigd van ketterij, afgeraden en verboden lectuur voor elke katholiek. Zijn oeuvre werd op de Index Vaticanus gezet en bleef er tot in 1900! Erasmus, behalve een groot aantal commentaren en boeken, schreef gemiddeld veertig brieven per dag. Zijn volledige correspondentie wordt geschat op meer dan twintig duizend brieven, waarvan de ongeveer drieduizend stuk die overleefd hebben ons in staat stellen om dag per dag te volgen hoe hij, ten nadele van zijn gezondheid, zijn leven, zijn eer, zijn roem et zijn schraal fortuin, leiding gaf aan een vastberaden internationaal verzet.  

Contrasterend met de bruisende titel van “Prins des humanisten” en ver van het academische comfort van een ereburger van de “Republiek der Letteren”, reist hij, beladen met kisten vol boeken, voortdurend Europa af om mensen van goede wil samen te brengen. Luther, als eerste, noemde hem misprijzend “Errans Mus” (dolende rat).

Maar van Madrid tot Stockholm, van Cambridge tot Gdansk, in Leuven, in Leipzig, in Straatsburg, Antwerpen, Rome, Londen, Bazel, overal vindt Erasmus volging voor een betere wereld. Zijn briefwisseling werd voortdurend uitgegeven, zijn boeken vertaald in vele talen en zijn vrienden en erudiete correspondenten, heel dikwijls in de leidende kringen van de meeste regeringen, hielden hem op de hoogte van de belangrijkste ontwikkelingen.  

Zonder compromis (Nulli concedo, ik wijk voor niemand was zijn spreuk, oorspronkelijk een toespeling naar het onverbiddelijke karakter van de dood), zet hij zich zelfbewust in om via een juist en barmhartig woord, de waarheid aan het licht te brengen, een waarheid die ons van streek kan brengen, maar die uiteindelijk de liefde voor het algemene belang vergroot. Om zijn vrijheid van spreken te behandhaven ten dienste van deze universele taak, weigert Erasmus de veeltallige aanbiedingen die hij van koningen, pausen, kerken, landdagen en Concilies krijgt aangeboden en die hem smeekten in hun dienst te treden. 

Erasmus is er niet op uit een goede katholiek, protestant en zelfs niet een goede Erasmiaan te zijn. Als kristen vlucht hij elke vorm van dogma sinds hij vreest in het drijfzand van partijgezinde kijverij vast te lopen. Deze voorbeeldige houding, alsook zijn afkeer van elke vorm van aardse ijdelheden, zullen dienen als een permanente bron van inspiratie voor al degenen die zich verzetten tegen de grootse zwelgerij van hebzucht die toen de wereld naar de ondergang leidde. 

Erasmus grenzeloos minnen van Christus, de mensheid en het smeden van nieuwe bevrijdende taal als beschavingsinstrument, verrees als een rots in de orkaan van haat et morele lelijkheid die deze periode kenmerkte. Zijn pikante humor en satire, zoals die opbruist in de Lof der Zotheid, geeft eindelijk iedereen de kans om eens goedhartig te lachen met onze eigen menselijke tekortkomingen en stommiteiten en ons dusdanig ook de mogelijkheid geeft ons te bevrijden door deze tekortkomingen te overkomen. 

Zijn jeugdbeweging? Die vinden wij onder de vorm van drie geniale schrijvers van de wereldliteratuur. Allemaal – Rabelais, in zijn brief aan Erasmus, Cervantes opgeleid door de Erasmist Lopez de Hoyos, en Shakespeare als volgeling van Thomas More – zijn de vrucht van zijn rijke denkwereld.  

Naast Erasmus politieke rol in het offensief van de Liga van Kamerijk (Cambrai) tegen Venetië, zullen we ook de grondbegrippen van Erasmus denken en leer onderzoeken. 

In de sporen van Cusanus en Bessarion, wenst Erasmus de katholieke liturgie te vereenvoudigen en de “filosofie van Christus”, zoals die uitstraalt van het Evangelie en de Akten der apostelen, voor iedereen toegankelijk maken.  

In tegenstelling met de scholastiek, stelt Erasmus, zoals Petrarca dat deed voor hem, dat deze geopenbaarde waarheid, toegankelijk voor het geloof, niet onverenigbaar is met de wijsgerige waarheden van bepaalde denkers uit de oudheid, zoals Plato en anderen, waarheden die voortspruiten uit de menselijke rede. 

Gedrenkt in deze evangelische, christelijke leer, en geïnspireerd door Plato’s Republiek, schrijft hij samen met zijn Engelse boezemvriend Thomas More, Utopia. Hun wereldbeschouwing is vrij van het pragmatische pessimisme kenmerkend voor Machiavelli en een alledaags passief begrip van verdraagzaamheid, sinds bouwend op het actieve concept van het “voordeel van de andere”, een idee dat men later terugvindt in de kringen van de Franse “politiques” rond Hendrik IV (Sully, Laffemas, etc.) en dat als hoeksteen kan worden beschouwd voor de Vrede van Munster die in de zeventiende eeuw de godsdienstoorlogen tot een einde bracht.  

Tegen het pessimisme van de feodale scholastiek, maar ook tegen wat men het kathaars (“zuiver”) geloof van Luther zou kunnen noemen, verdedigt Erasmus wat men op provocerende manier als “christelijk epicurisme” zou kunnen beschrijven van de Italiaanse humanist Lorenzo Valla overgenomen. Het goede doen voor God en de mens is niet langer alleen een verplichting, maar een plezier. Dit idee van “pursuit of happiness” [dingen naar geluk] verschijnt later in de onafhankelijkheidsverklaring van de jonge Amerikaanse republiek.  

In 1516 heeft Erasmus de overtuiging dat de hoogste machtskringen binnen kerk en staat eindelijk op zijn hervormingsvoorstellen zullen ingaan. Men kan zich dus wel enkele vragen stellen rond de plotselinge “spontane” opkomst van Martin Luther in 1517, wiens radicaliteit de wereld opnieuw zal verdelen in steriele theologische debatten eigen aan zuivere scholastiek.

Om de buitensporigheden van Luther te bestrijden, en bouwend op Valla en Augustinus, verdedigt Erasmus de menselijke “vrije wil” die samenwerkt met de genade Gods. Tegelijkertijd levert hij veeleisende kritiek op de “dwingelandij van monniken” en de industrie van werkschuwige, corrupte bedelorden. Bewust van het snelnaderende gevaar van godsdienstoorlogen en Inquisitie verdubbeld Erasmus zijn inspanningen om druk uit te oefenen op zij die hij lief heeft, om stapswijs een redelijke en humanistische hervorming van de kerk en de maatschappij door te voeren. Om zover te komen, en geërgerd door de decadentie van de humanisten van dat Italië waarin hij al zijn hoop had gevestigd, schreef hij de Ciceronier, een satire tegen het heidense geloof vermomd in het maniërisme dat toen zo in trek was in Rome.  

Vervolgt door Jérôme Aleandri, een telg van een oude oligarchisch familie van Venetië, wordt Erasmus ongewenst in Londen, beklad in Rome, weggedreven van Leuven, beledigd in Parijs en beschimpt in Madrid, terwijl een van zijn kleineerders elke morgen op een afbeelding van zijn aanschijn spuwde. Erasmus moet dus van Leuven weg, en later van Basel, waar hij nadien zal terugkomen om te sterven, één jaar na de dood van zijn “tweelingbroeder” Thomas More, onthoofd op 22 juni 1535 door de koning van Engeland Hendrik VIII. 

Ook als Luther zegt dat men “Erasmus moet vermorzelen als een wandluis” en Calvijn hem als “goddeloos” bestempelt, verkozen veel hervormers Erasmus evangelisch humanisme boven de pijnlijke bijbelsheid van de protestantse ideologen en de katholieke theologen van het Concilie van Trente.  

Om onze tekst af te sluiten, zullen we een snelle kijk hebben op een van zijn meest breedsprakige volgelingen, de Franse erasmist François Rabelais.

Erasmus vaderland zonder naam, Antwerpen circa 1500

Het was zo een van die morgens wanneer de Vlaamse mist haar wijde mantel spreidt over de steden van het lage land. Vanuit de blanke hemel krijst een wemel meeuwen, in hun Payne-grijs pakje, zijn spottende roep naar het volk daar beneden, wijl het wel een oogje houdt op wat er daar allemaal aan de gang is. Wat een menigte in deze grootse grijsheid!

Een armada van vissersschepen, met gevlochten touwen aan de oever vastgelegd, wordt daar koortsig afgelost. Manden vol krabben, garnaal, maatjes en kabeljauw. Zelfs een kleine grijsgroene zeehond heeft de hoge tij tot daar opgespoeld. Die schijnt de hoop van de zwevers innig mee te delen: dat een van die vervloekte mandjes overboord zou vallen en ons zijn verlokkelijke inhoud levert voor de stroom zich al weer in een schaatsbaan omgetoverd!

Tussen de schipperskerk van Sint-Walburgis en het Steen, is de Oude vismarkt de meest bedrijvige buurt van Antwerpen in die dagen. Met negentig duizend zielen binnen zijn muren ademt de oude stad Anno 1500 als de longen van de wereld.  

Over de Palingbrug, waar nog ganse stukken stadswallen dienst doen, komt men bij het Vleeshuis, een modern slachthuis met handelskamer op de eerste verdieping. Niet ver van daar, tegen de Brouwersvliet, in de Nieuwstad, worden duizenden liters amber bier gebrouwen van stromen helder water ingenieus naar de stadskern geleid van de omgeving dankzij de ingenieuze werken ondernomen door Gilbert Van Schoonbeke, bouwondernemer en stadshervormer. 

Het Antwerpen der Fuggers heeft nu de plaats van het Brugge der Medici verdrongen als ’s werelds grootste opslagplaats. Tussen het Oosterlingenhuis, eens de zetel van de Hanze liga, en de Beurs, valt men dagelijks op Portugese, Spaanse, joodse, Levantijnse, Armeense of Italiaanse handelaars. Zijde en kruiden, aangebracht via Italië van Azië, vinden hier afnemers of worden geruild voor hout van de Baltische streek of graan van Polen. Vlaams laken en linnen, Engelse wol, wijnen van Bordeaux, alles kan hier moeiteloos gekocht worden dank zij de rare metalen, het goud en het zilver van de Danube. 

In Antwerpen, op de Grote Markt, zoals in het grotendeel der steden van de Bourgondische Nederlanden, is de bouw van de voorgevels van gildehuizen altijd een toernooi van bouwkunst. Aan de oevers van de stroom bouwen scheepsontwerpers hier Kraken, de nieuwe schepen. Ondertussen vernissen geduldige handarbeiders polychrome altaarstukken die men tot uit Scandinavië hier kwam bestellen. Getrouw uitgevoerd naar de patronen gezonden door de rijkste praalhoven van Italië, werkt men hier geduldig aan dikke wandtapijten.

De Ars Nova, begonnen door Van Eyck in de schilderkunst en vijftig jaar vroeger in Chartres door Philippe de Vitry in de veelstemmige muziekkunst, kent hier haar opbloei. Terwijl de beiaards hun melodieën laten weergalmen, klinken de stemmen van zangkoren en componeert Orlando di Lasso voor het klavecimbel.

Het paneeldoek doet rijke handelaars dromen van reizen en bergen en eenvoudige burgers bestellen het portret van hun vrouw en kinderen. In de schaduw van de kathedraal, waar Keldermans de laatste hand aan legt en in de begijnhoven van de streek reciteert men de gedichten van Hadewijch. Lenige vingers klossen hier ondertussen prachtig kant waarvan de bloemmotieven een harmonisch antwoord zijn aan de fijn uitgewerkte pinakels die de daken van stadhuizen, burgerhuizen en kerken bekronen.  

In de met leder bezette kamers van brede patriciërshuizen, schrijven Rederijkers satires en straattoneel, leren godvruchtige gedichten van buiten of sleutelen aan allegorische praalwagens, zoals de hooiwagen, voor de komende Ommeganck.

Een vreemde ontmoeting 

Om zich een juist begrip te vormen van de intellectuele weelde en creativiteit die zich toen in Antwerpen kristalliseerde, kan men zich met een brein verbeelding enkele ontmoetingen inbeelden in een van die kleine huisjes van de Vlaaikesgang aan de kaai van een van de vele open vlieten die toen nog een netwerk van kanaaltjes door het hart van de stad vormde.  

Thomas More (1478-1535) en Erasmus van Rotterdam (1466-1536) troffen zich meestal in Den Spiegel, het grote huis van de Antwerpse stadssecretaris Pieter Gilles (Aegidius) (1486-1533) op de Eiermarkt. Maar vandaag hebben ze afspraak in de Sint Quinten in de Schuttershofstraat, het huis van de schilder Quinten Matsys (1465-1530), mooi gedecoreerd met fresco’s in Italiaanse stijl. Matsys heeft natuurlijk zijn gildebroeder Gerard David uitgenodigd. Matsys toont hen de door hem gemaakte schetsen naar Leonardo da Vinci’s “Sint Anna en de Maagd” die hij in Italië uitvoerde. 

Maar opgepast! Albrecht Dürer (1471-1528) komt vandaag aan! Erasmus dringt erop aan dat de Nurembergse meester zijn portret tekent. Hij zegt van hem: “Met eenzelfde kleur, dat is in het zwart, slaagt Dürer erin alles weer te geven! Schaduw, licht, glans, diepte en reliëf, en perspectief. Bovenal, slaagt hij erin te schilderen wat onschilderbaar is: vuur, bliksem, donderslag en zelfs, zoals me zegt, de wolken op de muur, alle gevoelens en in feite de hele menselijke ziel weerspiegelt in de houding van het lichaam en bijna het woord zelf.” 

Wachtend op zijn aankomst, amuseren Erasmus en More zich door de inleiding van de Utopia uit te werken. In dit werk verteld More hoe hij toevallig op Pieter Gilles liep toen deze de Onze Lieve Vrouwe Kathedraal buiten stapte in het bijzijn van de vermaarde Rafael Hythlodée die zijn relaas leverde over het eiland Utopia, een humanistische republiek die hij had kunnen bewonderen in het herontdekte Amerika. Over deze “nieuwe wereld” levert een andere vriend van Erasmus, de Antwerpse bankier, industrieel en latinist Erasmus Schetz (1480-1588) waardevolle informatie afkomstig van zijn netwerk van koophandelaars in Brazilië. Martin Behaim (1459-1509), de uitmuntende student van de Nurembergse kaartenmaker Johan Müller (Regiomontanus) (1436-1476), wiens bibliotheek door Dürer werd overgekocht, bouwt in Antwerpen zijn eerste aardbollen alvorens zich te vestigen in Porto waar Columbus op hem beroep zal doen.

Dürer trok met vrouw en huismeid naar Antwerpen in 1520 waar hij aanwezig is op het huwelijksfeest van Joachim Patinier (1480-1524). Hij ontmoet er Jan Provoost (1465-1529), Jan Gossaert (1462-1533) en Bernard van Orley (1491-1542). Hij schets er het portret van Lucas van Leyden (1489-1533). In 1523 tekent hij er het portret van een vijfennegentig jaar oude man dat hij later zal gebruiken voor zijn heilige Hieronimus.  

Een steenworp van daar, in Mechelen, bezoekt Dürer een andere van zijn bewonderaars, Margareta van Oostenrijk (1480-1530), tante van Keizer Karel en regent van de Bourgondische Nederlanden en niet totaal onverschillig voor Erasmus’ raadgevingen. Dürer, die haar voorstel in Mechelen to overnachten niet kan weigeren, maakt er hartelijk gebruik van om haar prachtige verzameling kunstwerken te bewonderen waaronder het Arnolfini echtpaar van Jan van Eyck. Margareta heeft zojuist een rente toe bedragen aan de Venitiaanse schilder Jacopo Barbari (1440-1515), politiek vluchteling en auteur van een portret van Luca Pacioli (1445-1514), de franciscaanse monnik die Da Vinci meetkunde en Latijn leerde en tevens auteur van de Divina Proportiona (de goddelijke proportie of “gulden snede”). Dürer zal waarschijnlijk ook even bezoek hebben gebracht aan Hiëronymus van Busleyden (1470-1517), weldra de sponsor van het “Drietalen college” dat Erasmus had geopend in 1517 en tevens een vriend van Cuthbert Tunstall (1475-1559), de bisschop van Londen die Thomas More aan Busleyden had doen kennen. 

Terug in Antwerpen maakt Dürer een schets van de Straatsburgse humanist Sebastian Brant, auteur van Het narrenschip verschenen in 1494 in Bazel. De Brabantse schilder Jeroen Bosch (1450-1516), die zich te goed had gedaan met de Lof der Zotheid, geïllustreerd door de jonge Hans Holbein (1497-1543) kwam even naar Antwerpen om daar een kopie van de Utopia te verwerven welke in 1516 gedrukt werd in Leuven door Pieter Gilles vriend, de drukker Dirk Martens (1486-1534).

Enkele jaren later, toen de adem van de Spaanse Inquisitie zich vermengd met de dikke rook van de brandstapels, verenigt de Franse drukker Christoffel Plantijn in het grootste geheim de leden van het Huis van Liefde (Scola Caritas), de humanistische groep geleid door Hendrik Niclaes (1502-1580)

De wetenschapper Gemma Frisius (1508-1555) onderhoud er zich met zijn leerling de aardrijkskundige Gerhard Kremer (Mercator) (1512-1594) en Abraham Ortels (Ortelius) (1527-1598) vertelt er zijn laatste wetenschappelijke ontdekkingen aan de jonge Pieter Bruegel (1525-1569). Bruegel werkt er aan zijn tekeningen voor de “Zeven hoofdzonden” en “Zeven deugden” die later in de drukkerij In de vier winden zullen gedrukt worden door Jeroen Cock (1510-1570). Bruegel schetst hen de inhoud van de werken van François Rabelais die hij op de terugweg van Italië, in Lyon had gekocht. In de drukkerij In de vier winden werkt ook de graveur Dirk Coornhert (1522-1590), opgeleid door de jonge secretaris van Erasmus Quirin Talesius (1505-1575) en naderhand vertrouweling van de organisator van de opstand der Nederlanden, Willem de Zwijger (1533-1584). 

Economische opbloei en politieke ontvoogding 

Deze rijke stedelijke cultuur had nooit het licht kunnen zien in de Bourgondische Nederlanden zonder de spectaculaire omwenteling van landbouwmethodes aan het einde van de tiende eeuw. Zelfs al de “Gouden delta” die zich tekent tussen Rijn, Maas en Schelde, van den beginne de inwoners van deze streek een doeltreffende infrastructuur gaf, werd deze verrijkt met een labyrint van kanalen en dijken heldhaftig opgebouwd sinds het einde van de twaalfde eeuw en bekroond met duizenden windmolens.  

Vruchtbare landbouwgrond, polders werden ingewonnen op de zee en een intensieve landbouw maakte hogere rendementen mogelijk in onze streek waar ze anders verminderden. Volgens de economisten had men in Europa behoefte aan vier landbouwers om een stedeling te onderhouden, terwijl die verhouding in de Nederlanden veel lager was omdat twee landbouwers voldoende produceerden voor twee stedelingen. Als men een stad van 10000 inwoners als maatstok neemt, dan vindt men rond 1550 in de streek van het huidige België een heel dichte verstedelijking (21%) gevolgd door het huidige Nederland (15,8%) en het noordelijk deel van Italië (15,1%). Als men die meetstaaf verlaagt tot 5000 bekomt men tegen het jaar 1500 voor Vlaanderen 36% en het gebied tussen de Maas en de Zuiderzee (Brabant en Holland) 54%. Erasmus vaderland, samen met Italië, behoort dus tot de meest verstedelijkte regio van Europa. 

De hertogen van Bourgondië hebben vanaf 1384 getracht hun uitgestrekt grondgebied één te maken. Dit gebied strekte zich uit van Friesland tot de Romeinse baan die Boulogne-sur-Mer met Keulen verbond. Indien de hertog regeert met de steun van de leden van de Orde van het Gulden Vlies, vestigt zijn macht zich op voordien bestaande vormen van zelfbestuur. Het winnen van vruchtbare landbouwgrond op zeegebied ging historisch samen met de afbouw van de feodale politieke structuren en de economische opleving van deze gebieden ging samen met de politieke ontvoogding van hun bewoners.  

Gemeentelijke raden belast met de financiering en het waterbeleid van deze polders hadden met fierheid hun eigen vermogens ontdekt om hun eigen belangen te handhaven. Om besluitvorming te vergemakkelijken werden de gemeentes in Staten gebundeld, wat dan verder ook niet uitsloot om ad hoc vergaderingen te houden onder bijvoorbeeld steden begaan met haringvangst.  

Toen men in Engeland of Frankrijk eerder zelden de locale parlementen bijeen riep, en dan nog meestal met als enig doelwit belangrijke zaken te regelen betreffende financiële verschillen of belastingen, blijkt volgens de registers van de Bourgondische Nederlanden dat bijvoorbeeld de Vlaamse vertegenwoordigers zich 4055 maal hebben getroffen tussen 1386 en 1506, ongeveer 34 maal per jaar, op het oog economische, maar ook sociale problemen te bespreken, en bepaalde infrastructuurprojecten te onderzoeken. Dergelijke raadplegingen in Engeland hebben maar 73 maal plaats gehad tussen 1384 en 1510, dat is dus eens per jaar!

De raad van schepenen van steden en gemeentes, waarachtige economische belangen aan de oorsprong van de ambachtsgilden, hadden echte macht in hun handen en de mogelijkheid om de inzameling van belastingen opgelegd door om het even welk centraal bewind, te blokkeren of te verhinderen.  

In den beginne hadden de gilden de mensen buiten de nauwe familiale cocon begeleid in de nieuwe stedelijke solidariteit. Deze “uitgebreide familie” van de stedelijke samenleving zal vaak de ondernemingsgrond zijn voor ontdekkingen en experimenten, waar het weten, kunnen en doen, vrij kon worden uitgewisseld.

Met Keizer Karel, zoon van Filips de Schone van Bourgondië en Johanna van Castilië (“de waanzinnige”), valt het land in de handen van Habsburg. Sinds Keizer Karel te jong en vaak in het buitenland was, worden de Nederlanden vaak geregeerd door twee wijze Vlaamse regentessen: Margareta van Oostenrijk en Maria van Hongarije. Het centrale bestuur hebben zij versterkt door een Raad van State, een Privé Raad (Justitie) en een Raad van Financiën. Enkele jaren voor zijn dood, in 1548, creëert Keizer Karel de “Kring van Bourgondië” welke de tien zuiderse provincies met de zeven provincies van het noorden samenbrengt sinds tot dan deze streken gescheiden waren door het rijk. Hij neemt tevens al de nodige schikkingen om te verzekeren dat één enkele erfgenaam hem kan opvolgen aan het hoofd van de “Generaliteit der zeventien provincies”, een land dat Habsburg met misprijzen de Lage Landen noemde. Zijn zoon, Filips II, geboren in Spanje, en niet in Gent zoals Keizer Karel, bekende op een dag dat hij liever “over een woestijn wilde heersen dan over al die bevolkte steden”. Don Carlos, het drama van de Duitse dichter Friedrich Schiller vertelt ons wat er nadien gebeurt. 

Dit alles geeft ons een beter besef aan wat Rabelais moest gedacht hebben toen hij schreef in zijn brief aan Erasmus: “Gij die de vader uw vaderland zijd en zijn roem”. Het ging dus blijkbaar niets anders dan het gedroomde voorwendsel om deze nieuwe groeiende gemeenschap op te breken, een gemeenschap van natiestaten gevormd door het Frankrijk van Lodewijk XI en Jacques Coeur, het Engeland van Hendrik VII en Thomas More en de Bourgondische Nederlanden, het vaderland van Erasmus waarvan de oligarchie zelfs de naam heeft getracht te verdrukken.  

De Broeders en zusters van het gemene leven 

Met rede legt men vaak de nadruk op de revolutionaire invloed uitgeoefend op Erasmus door de geestelijke vernieuwing van de Devotio Moderna, een beweging die oorspronkelijk vorm kreeg door Geert Grote (1340-1384). Geïnspireerd door de Vlaamse mystieker Jan van Ruusbroec (1293-1381), gaf Grote, na zijn bekering, zijn huis aan een groep vrome vrouwen die in 1374 de “Zusters van het Gemene Leven” werden. Deze gemeenschap van leken (niet gewijde geestelijken) spitste zich toe op het onderwijs en de vertaling van belangrijke manuscripten. Een beetje later groepeerden de “Broeders van het Gemene Leven” zich rond Florent Radewijns (1350-1400), een volgeling van Grote. Zij werden op 17 oktober 1387 de Augustijner koorheren van de Congregatie van Windesheim en leefden volgens de regel van Augustinus.  

Het piëtisme van deze beweging, dat vooral op innerlijkheid godsvruchtigheid beroep doet, vindt een van zijn hoogtepunten in het kleine werkje De navolging van Christus (Imitatio Christi), waarschijnlijk deels geschreven door Grote zelf, maar meestal beschouwd als van de hand van Thomas van Kempen (a Kempis) (1380-1471), een van de broeders van het Sint-Agnes klooster op de Agnietenberg van Zwolle. Daarin wordt de gelovige aangespoord te leven in naleving van Christus zoals beschreven in het Evangelie, een boodschap die Erasmus zich eigen maakte en verder zette. 

In 1475, stuurde Erasmus vader, die naar zijn zeggen Grieks kon en mogelijkerwijs beroemde humanisten had aangehoord in Italië, zijn negenjaar oude zoontje naar het vermaarde Heilige Lebuïnus kapittel van de Broeders van het Gemene leven in Deventer, een afdeling opgericht door een andere leerling van de broeders, Nicolaas van Cusa (Cusanus) (1401-1464). 

Deze school werd op dat moment geleid door Alexander Hegius (1433-1498), leerling van de beroemde Roelof Huesman (Rudolph Agricola) (1442-1485), een directe volgeling van Cusanus. Erasmus noemde deze enthousiaste verdediger van de Italiaanse renaissance en de herleving van de letterkunde een “goddelijk intellect”. Agricola, toen hij maar 24 jaar oud was, reisde Italië af en gaf orgelconcerten over het ganse land. Hij maakte er kennis met Ercole I d’Este, heer van het hof van Ferrare, en ontdekt er met afschuw de grootmeesters der scholastiek gedrenkt in Aristoteles. 

Als inleiding voor zijn lessen in Deventer zij Agricola tegen zijn leerlingen “Vertrouw niets van wat je tot nu geleerd hebt. Verwerp alles! Ga van het standpunt uit dat je alles moet afleren, behalve wat je jezelf, op basis van uw eigen oordeel, of op basis van het oordeel van meerwaardige auteurs, in staat bent geweest terug meester te maken”. 

De “zwarte dood” of de pest die toen over heel Europa duizenden slachtoffers maakte beroofde ook Erasmus, eerst van zijn moeder en dan van zijn vader. Na hun dood wordt hij en zijn broer onder de bescherming geplaatst van drie voogden. Deze plaatsten de twee kinderen in een andere afdeling van de Broeders van het Gemene leven gevestigd in ’s Hertogenbosch. Over dit “arme wezenhuis” [Domus pauperum], schrijft Erasmus weinig goeds: “Het wezenhuis dat de broeders traditioneel bestuurden had als enig doel voor de kinderen het breken met stokslagen en strenge verboden van hun gaven en bekwaamheden sinds de vaders ervan innig overtuigt waren dat men alle zucht naar universitaire studies van hen moest verwijderen om hen alzo willens nillens tot de kloosterorde te doen bijtreden”.  

Totaal afwijkend van de voornemens der oorspronkelijke grondleggers van deze beweging en ver van de zachte naastenliefde van een Jan van Ruusbroec, van het idealisme van Geert Grote of van het wijsgerig onderzoek van Heymeric van Kempen (de Campo) (1395-1460) (die ook invloed op Cusanus zal uitoefenen), had de aansluiting van de Windesheimers tot de Roomse Katholieke kerk niet alleen positieve gevolgen. 

Deze evolutie werd zo pijnvol dat zelfs Agricola en Wessel Gansfort (1419-1489), nochtans leidende personaliteiten van de Broeders van het Gemene leven, zich verplicht zagen hun eigen denkkring op te richten binnen de muren van de cisterciënzer abdij van Adwerth in Friesland, sinds het enkel daar was dat zij het recht behielden de rijke verzameling humanistische litteratuur door te lezen.  

Erasmus broeder, onder de druk van de Broeders van ’s Hertogenbosch, plooit zich snel naar hun verlangens en aanvaard de monnikskap. Erasmus legt uiteindelijk ook zelf zijn kloostergelofte af bij het Augustijnenklooster van Steyn tegen Gouda, maar onder de uitdrukkelijke voorwaarde daar zijn boeken terug te vinden.

Na zijn priesterwijding in 1492 wil Erasmus de wereld in. Hij laat zich benoemen tot secretaris van de Bisschop van Kamerijk (Cambrai) die juist tot kanselier van de Orde van het Gulden vlies was verheven.  

Zijn goede vrienden van Steyn zal hij nooit vergeten. Maar vanaf nu kan niemand hem nog langer wijsmaken dat een geloof dat zich verzet tegen de opvoeding der mensen en deze niet aanspoort te handelen voor de verbetering van hun evenmensen op een of andere wijze overeenkomt met het Evangelie.  

De Broeders van het Gemene leven van Maagdenburg zullen weldra ook een beroemde man aan de wereld geven: Martin Luther (1483-1546). Zoals de vader van Calvijn, bestemt Luthers vader zijn zoon voort aan wetgeleerdheid. Dan, in 1505, verrast door een vreselijk onweer, ontsnapt Luther aan een blikseminslag die hem het leven had kunnen kosten. Hij slaagt dan de tegenovergestelde richting in van Erasmus en beslist dan zijn heil te zoeken bij de Augustijner Kluizenaars van Erfurt.

De idealen van Erasmus 

De brutale ontdekking van de snijdende tegenstelling tussen de morele schoonheid van de boodschap van het Evangelie enerzijds et de storende dubbelzinnigheid van zekere religieuze praktijken anderzijds, samen met de ontdekking de pracht der letterkunde, zullen in Erasmus hart een dubbel streven doen geboren. 

Eerst, denk Erasmus, is het hoog tijd de schandalige anti-christelijke praktijken en de oligarchische geestesinstelling die in de Rooms Katholieke kerk zijn binnengeslopen, te verbannen en te hervormen. De grote oecumenische Concilies zoals deze van Konstanz (1414), Bazel (1431) en Ferrare-Firenze (1437) hebben drie fundamentele problemen trachten op te lossen:

1) De doctrinale eenheid tussen Oost en West;
2) de eenheid van het christendom tegen de Turken en
3) De hervorming en/of afschaffing van “onkatholieke” praktijken van de kerk.

Zolang de eerste twee grote uitdagingen niet waren aangepakt, was het derde probleem zo goed als onbespreekbaar, zoals
Jan Hus dat ongelukkig heeft moeten vaststellen toen hij werd aangehouden en op 6 juli 1415 op de brandstapel werd verbrand voor ketterij, na zijn aankomst op het Concilie van Bazel. 

Voor Erasmus was de Roomse kerk niet het probleem maar de oligarchische machten die er meer en meer de hand op hadden gelegd. Het ging meer in het bijzonder over de bankiers van Sienna, Lombardije et Venetië die de fortuinbeheerders waren van pausen, kardinalen en bisschoppen; de cultus van aflaten, relieken en de handel in geestelijke ambten (simonie) en de onschatbare materiële bezittingen van kloosterordes, feodale imperia die beschikten over land, huizen, geld en mensen die zij, in de beste gevallen, beschouwden en hoeden als kuddevee.  

Om daar een einde aan te stellen, promoveert Erasmus brede volksverheffing waarvoor hij de steun aanvraagt van een sterke Paus in staat vrij te staan van ordes en geldmachten. Dat is het uitdrukkelijke programma van de Enchiridion militis christiani (Handvest van de christelijke soldaat) en in feite de stilzwijgende, impliciete eis van de Lof der Zotheid.  

Zoals de Italiaan Lorenzo Valla (1403-1457) en de fransman Jacques Lefèvre d’Etaples (1450-1537) dat elk op hun manier deden, zoekt Erasmus het Evangelie te doen herleven aan de bron door de oorspronkelijke Griekse, Latijnse en Hebreeuwse teksten met elkaar te vergelijken. Die teksten waren voor het grootste deel ongekend voor de grote meerderheid der gelovigen, en meestal totaal bezoedelt door meer dan duizend jaar gebrekkige vertalingen, kopijen en scholastieke commentaar. 

Om deze taak, als een van de werken van Hercules, tot een goed einde te brengen stelt Erasmus voor in Leuven een “Drietalen college” (“3 tonghen”) op te richten, waarvoor hij wijze mannen zoekt die werken kunnen zonder passionele meningsverschillen of egocentrische carrièredrang. Dank zij de financiële weldoener Jeroen van Busleyden, werd in 1517 dit College in Leuven opgericht en de Leuvense theologen gingen onmiddellijk dwars liggen tegen een initiatief dat hun scheve praktijken bedreigde.  

Tweedes, gaat Erasmus ervan uit dat de optimistische boodschap van de christelijke leer, alleen al door zijn inhoud, de verplichting inhield tot het verdedigen van het algemene belang en dus eveneens dringende politieke hervormingen oplegt. Dat is wat Erasmus en More verdedigen in de Utopia. Deze utopie is helemaal niet utopisch als men erin slaagt een degelijke klassieke vorming te geven aan elk staatsburger, al een doelwit van de vierduizend Adagio door Erasmus geschreven en een bezorgdheid die, buiten Thomas More, ook de Spaans-Nederlandse pedagoog Juan Luis Vivès (1492-1540) deelde. 

In de voetsporen van Petrarca, streeft Erasmus naar de verzoening van deze “Filosofie van Christus”, overgedragen door de Heilige Hiëronymus (317-419)  en de kerkhistoricus Origenes (185-251), met deze, en alleen deze, die in de oudheid “dankzij het natuurlijk licht een beetje gezien hebben wat het Evangelie ons leert”, in het bijzonder Plato (427 v.Chr. - 347 v.Chr.)

Erasmus zegt dat “deze filosofie (van Christus) meer bestaansgrond heeft in onze gevoeligheid dan in syllogismen, meer in het leven dan in de discussie; het is meer een inzicht (intuïtie) dan een geleerdheid, meer een inspiratie dan een daad van de rede; zij is gegeven aan een beperkt aantal geleerden, maar het is verder niemand vergund geen christen te zijn, niemand heeft het recht ongodvruchtig te zijn, en ik zou er durf er zelfs aan toevoegen dat het niemand verloofd is geen godskundige te zijn. Wat het meest gelijkluidend is met de natuur, dringt gemakkelijker in de zielen in. En wat is de filosofie van Christus anders —deze filosofie welke Hij (Christus) als weder-geboorte [re-naissance] bestempelt — dan het terug gaan naar een goede natuur? En als niemand deze waarden zo sterk heeft doorgegeven als Christus zelf, is men meer dan eens in staat dingen redden van de heidense litteratuur (Gentils) die in overeenstemming zijn met zijn leer. Bestond er ooit een zo lage filosofische theorie die durfde aanleren dat geld de mens gelukkig maakt?”

Met Valla, wiens Elegantia hij had gelezen, en zijn vriend Juan Luis Vivès deelt hij de overtuiging dat de tijd rijp is het taalgebruik en de leerkunst te hergronden, in het bijzonder het Latijn. Door haar schoonheid van vorm, muzikaliteit van klank en openlijkheid van geest, moeten taal en pedagogie een weerspiegeling worden van edele inhoud. 

Lorenzo Valla 

De Duitse filosoof Wilhelm Godfried Leibniz schrijft zonder aarzelen dat de twee grootste denkers van de Middeleeuwen Nicolaas van Cusa et Lorenzo Valla zijn. De jonge Erasmus herkent in deze laatste het ideale Italië dat hij grenzeloos bewondert.  

Telg van een welvarende Romeinse familie, heeft Valla profijtelijk gebruik gemaakt van zijn uitnemende privé leermeesters, in het bijzonder van de hellenist Giovanni Aurispa (1369-1459), voormalig secretaris van de Pausen Eugenius IV en Martinus V, en ook van de lessen van Leonardo Bruni (1370-1444), leerling van Coluccio Salutati (1331-1406).  

Deze groep humanisten, in het spoor van Petrarca, beschouwde het verbond tussen de filosofie der sofisten (voornamelijk Aristoteles) en de scholastieke theologie als de fundering van een feodale domperpolitiek totaal in tegenspraak met de christelijke leer. Aan de Universiteit van Pavie, komt Valla in opstanding tegen de daar heersende Averroïsme. Averroès (Ibn Rushd, 1126-1198) wordt vaak, door de geestelijke erfgenoten van de Verlichting, met onrecht beschouwd als een voorloper van het modernisme (gezien hij ooit over wijn en sex heeft geschreven…) De werkelijkheid is totaal anders sinds Averroès, gebruik makend van op de Arabische vertalingen van Aristoteles, een ideale filosofie had vergaard om de feodale wereldorde te handhaven.  

Volgens deze schrijver, is men verplicht het dubbele karakter van de waarheid te aanvaarden. Dankzij symbolen en tekens, kan de godsdienst enerzijds een waarheid openbaren aan een brede kring van analfabeten. Anderzijds is het mogelijk voor een beperkte elite de waarheid te kennen, een waarheid die in wezen filosofisch is.  Maar, wat waar is in de theologie kan fout blijken in filosofie. In laatste instantie beslist uiteindelijk het intellect, zodat elke vorm van transcendentie overbodig is. Vanuit deze bedrieglijke benadering schrijft Averroès zelfs een heel boek over de harmonie tussen filosofie en godsdienst. Wanneer men deze theorie doordenkt, dan komt men tot de overtuiging dat het aanleren van filosofie aan het volk een ramp is voor godsdienst. Bovendien is zij alleen in staat (symbolische) kennis over te leveren aan de grote meerderheid der bevolkingen. In huidendaagse termen zou men Averroès ervan kunnen beschuldigen een volgeling te zijn van het “koninkrijk der leugens” beschreven door de denker die recentelijk het idool werd van de Amerikaanse neoconservatieven, Leo Strauss.

Men begrijpt dus beter waarom de Venetiaanse oligarchie het Averroïsme had gekozen om haar wereldmacht te handhaven en Venetië zal deze vernieuwde Aristoteliaanse ideologie grootschalig promoveren.  

Al jaren voor Valla, had de Italiaanse dichter en filosoof Francesco Petrarca (1304-1374), tijdens zijn verblijf in Venetië, zich verergert aan vier adepten van het Averroïsme (waaronder de drie Venetianen Dandolo, Contarini et Talento) die er op uit waren hem tot hun stellingen in te winnen en die, in de woorden van Petrarca, “volgens de gewoonten van de moderne filosofen, altijd dachten dat ze niets gedaan hadden, zolang ze niet geblaft hadden tegen Christus en zijn bovennatuurlijke leerstelling”.  

Waren zij niet bevreesder voor straffen opgelegd door mensen dan die van God, hadden zij niet alleen de schepping der wereld volgens Plato’s Timeus in twijfel getrokken, maar eveneens het Boek der schepping (Genesis), het katholieke geloof en de heilige leer van Christus. Niet langer beteugeld door deze aanbeveling, laten ze zich bandeloos uit en bestrijden direct de waarheid. Bij hun geheime samenkomsten bespotten zij Christus en vergoddelijken zij Aristoteles van wiens bedoelingen zij geen jota snappen. Wanneer zij in ‘t openbaar redetwisten dan beweren zij van het geloof een abstractie te maken, dwz. zij beweren naar de waarheid te zoeken door haar te verwerpen en het licht door de rug naar de zon te keren. In het geheim is hun taal niets anders dan godslastering, sofisme, bespotting et sarcasme, tot het grote plezier van hun beluisteraars. En beschouwen ze de meeste mensen niet als onbelezen wanneer ze Christus onze meester een idioot noemen? En zij zetten een hoge borst met hun sofismen, bevredigd over zich zelf en overtuigd over alles te kunnen twisten zonder ooit iets geleerd te hebben.” 

Toen Petrarca’s boek met deze woorden verscheen, was hij gedwongen van Venetië weg te vluchten.  

Tegen de overdreven zelfverloochening en de totale verwerping van het aardse bestaan zoals die toen door zekere leiders van de kerk werd voorgehouden, schrijft Valla De Vere Bone (Op het ware goed), een dialoog die beroep doet op Epicurius. Een stoïcijn (Bruni) verdedigt er het idee dat alleen de rede een bron van deugd is. De tweede spreker (Beccadelli) is een epicurist die daar tegenover stelt dat het geluk niet het resultaat is van de rede, maar van het plezier.  

Epicurius (IVde eeuw voor JC) verklaart dat “Wanneer wij stellen dat het plezier ons ultiem doel is, dan bedoelen wij daar niet het plezier der losbollen met of zij die zich aan aards genot verklampen zoals wel eens gezegd wordt door hen die onwetend zijn over onze leer of er niet met eens zijn, of zij die hem in een slechte zin verklaren. Het plezier dat wij voor ogen hebben wordt gekenmerkt door de afwezigheid van lichamelijke smart en zielsverbijstering.”

Het zijn niet de voortdurende drinkpartijen en orgieën, het genieten van jonge mannen en vrouwen, de vissen en andere spijzen die een rijke tafel kan aanbieden, welke een gelukkig leven kan voortbrengen, maar de vigilante rede die uiterst nauwkeurig zoekt naar wat de beweegredenen zijn van wat men kiezen moet en dus ook moet vermijden en die in staat is de ijdele meningen te verwerpen waardoor de grootste onrust zich van de ziel meester maakt”.

Boven dit alles is de wijsheid het hoogste goed. Daarom is zij zelfs waardevoller dan de filosofie, omdat zij de bron is van alle andere deugden sinds zij ons leert dat men niet gelukkig kan zijn zonder wijs, eerlijk en juist te zijn. De deugden, zijn een en onscheidbaar van een gelukkig leven”. 

Voor de epicurist, zegt Valla, vinden de heldendaden aangehaald door de stoïcijnen (zoals bvb de zelfmoord van Lucretia, etc.) hun oorsprong niet in het verlangen deugdelijk te zijn, maar komen zij voort uit het dingen naar een plezier dat totaal het vleselijke plezier te boven gaat. De laatste spreker in Valla’s samenspraak (Niccoli, de verzamelaar van manuscripten voor Cosimo de Medici) verdedigt de christelijke visie die ver boven die van de epicuristen gaat. Zij, die voor hem aan het woord zijn geweest, beschuldigd hij ervan te falen om vast te stellen dat het ware geluk ligt in het menselijke vermogen met God in overeenstemming te zijn, hoewel hij zich aansluit met de epicurische kritiek tegen het stoïcisme.  

Voor een echte christen, beweren Valla en Erasmus, is het idee dat men de deugd kan aanleren zonder God en de mens lief te hebben, oplichterij. 

Men doet het goede niet omdat het deugdelijk is, maar omdat het goede doen God, de mensheid en onszelf behaagd. Erasmus neemt die stelling op in zijn samenspraak “De Epicurist”. 

De Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring, geschreven door auteurs die beïnvloed waren door Godfried Wilhelm Leibniz (1646-1716), die zelf door Valla en Erasmus werd beïnvloed, neemt nadrukkelijk dit begrip op in de verdediging van het recht op “leven, vrijheid en het dingen naar geluk” (sinds het “goede” van dezelfde natuur is dan het geluk in “de beste van alle mogelijke werelden” van Leibniz)  

Erasmus herkent zich uiteraard in Valla wanneer deze zich verergert tegen de “filosofie” van Averroès en zijn scholastieke volgelingen. Men moet beseffen dat toen nog steeds de strijd woedde tussen de Ouden (Aquinus en Scotus) en de Modernen (Ockham en Buridan). Om duidelijk aan te tonen dat hij deze scholastieke leer verwerpt, maakt hij zich Agricola’s uitdrukking “de filosofie van Christus” eigen, een filosofie die hij in de mond legt van de Heilige Socratisch, zoals hij die noemt in zijn samenspraak “Het religieuze banket”. 

Als christelijke polemicus en vinnige anti-aristoliaan gaat Valla noodgedwongen van een stad naar een andere om in 1433 secretaris te worden van Alfons van Aragon (1396-1458) in Napels. Daar schreef hij onder andere een traktaat over de vrije wil en in 1440 weerlegde hij op louter taalkundige gronden de authenticiteit van de “Donatie van Constantijn” welke door Cusanus al eerder gelaakt was in diens werk, de Concordantia Catholica.  

Deze vervalsing gaf buitensporige rechten aan de Paus en verzegelde de macht van de oude adellijke Romeinse families over het Heilig college dat de paus verkiest.

Toen de voorbeeldige humanist Tommaso Parentucelli (1397-1455) paus Nicolaas V werd in 1447, doen Cusanus en zijn vriend, de Griekse kardinaal Johannes Bessarion (1403-1472) beroep op de Italiaanse schilders Fra Angelico (1400-1455) en Piero della Francesca (1415-1492) om het Vaticaan te versieren, terwijl Lorenzo Valla de opdracht krijgt de Griekse geschiedkundigen Herodotus en Thucydides te vertalen. 

In zijn werk Repastinatio Dialecticae et Philosophiae (Uitroeiing van de dialectiek en de filosofie) zegt Valla dat hij “Aristoteles en de aristotelianen” wilt weerleggen “om de theologen van onze tijd te behoeden tegen de dwaling en ze terug te leiden naar de ware godsdienstleer”. 

Ontstemd met Aristoteles logica, zag Valla de ziel, niet in het intellect of de wil, maar in het hart (en voor Rabelais was dat in het bloed). De splitsing tussen intellect en wil is kunstmatig, zegt hij, want “het is eenzelfde ziel die verstaat en zich herinnert, die onderzoekt en oordeelt, die lief heeft en haat”. Zo bekeken, is Liefde (Agapè) de enige deugd, sinds het de liefde is die ons beter maakt”. Voor Valla is het deze verheven vorm van liefde die ons “sterkte” geeft in onze strijd en hij herinnert ons aan het voorbeeld van de apostels, “die, als lafaards in dapperen werden veranderd vanaf het moment dat over hen neder kwam, de Heilige Geest die de liefde van de Vader en de Zoon is”.   

Erasmus en More, in hun zoektocht naar een beschavende taal, gaven samen de werken uit van Lucianus van Samosata (125-192). Niet erg creatief als filosoof, is Lucianus een onvergelijkbare satiricus wie zij: “Ik ben een mens die hekel heeft aan windbuilen en oplichters, ik verafschuw leugens en opsnoeverijën, ik huiver voor alle schelmen […] Nochtans zijn zij talrijk, zoals gij wel weet […]. Ja, ik hou van wat echt is, van wat mooi is, van wat eenvoudig is, in een woord, van alles wat de moeite waard is om van te houden. Alleen, dat moet ik toegeven, zijn er weinig mensen aan wie deze kunst kan worden toegeschreven”. 

De samenbundeling van het Evangelie van Christus, de dialogen van Plato, de wittige humor van de satires van Lucianus et het “christelijk epicurisme” van Valla vormen de inspiratie voor More en Erasmus.  

De Lof der Zotheid 

Hans Holbein le jeune, page de L’Eloge de la Folie, fol. B, 40, 1515, Cabinet. des Estampes, Bâle.

Sinds het hier over humor gaat, waarom niet meteen beginnen met de Lof der Zotheid

Geschreven in enkele dagen tijd in het huis van Thomas More in Bucklersbury tegen Londen, schreef Erasmus dit werk ontsticht door de erbarmelijke staat waarin hij zijn kerk en het Italië dat hij liefhad aantrof gedurende zijn reis van 1506.

Welke opzet de hand van de schrijver heeft kunnen leiden wordt gemakkelijker beschouwbaar in het licht wat wij hierboven gezien hebben met Valla: om een redelijke vorm en verhevenheid te kunnen geven aan het gevoelsleven, moet het zich kunnen uitdrukken, zelfs als dat in den beginne gebeurt met een beetje zotheid! 

Stultitia, de verpersoonlijkte Zotheid (die slingert tussen onechte zotheid = echte wijsdom en valse wijsdom = echte zotheid) neemt er ironisch het woord en pocht dat zonder haar niets kan bestaan in deze wereld: “Geen enkele samenleving, geen enkel samen leven zal genietbaar of duurzaam zijn zonder zotheid, in zoverre dat het volk geen minuut langer de prins zou kunnen verdragen, noch de heer zijn knecht, noch de dienstmeid haar meesteres, noch de vriend de vriend, noch de echtgenote de echtgenoot, moesten zij niet overeenkomen zich wederzijds nu eens te misleiden nu dan weer te vleien et dan weer wijselijk tussen de vingers kijken om zich daarna met wat honing der zotheid te bepleisteren.” 

In de wereld bestaat er meer gevoelen (Zotheid) dan rede, denkt Erasmus. Wat de wereld in beweging houdt, de bron van alle leven is deel van de zotheid (wijsdom). Want wat is liefde anders dan dit? Waarom treedt men in het huwelijk, als het niet is als gevolg van een afdwaling die ons verhindert er de nadelen van te zien. Elke vorm van genot en plezier zijn slechts de toekruiden van deze zotheid. Want wat is zotter dan de voortplanting? Waarom geven wij zoentjes en vertroetelen we kleine kinderen, als het niet was om hun zalige zotheid? Is dat niet wat juist zoveel betovering geeft aan de jeugd?” 

Maar de Zotheid heeft een zuster die Eigenliefde heet, een ander onmisbaar bestanddeel voor het geluk. Eens we zijn ingeleid in deze ontzaglijke menselijke waarheid welke de scholastiek trachtte te loochenen, roept Erasmus een tweede thema in het leven dat, hoewel in feite al geruisloos aanwezig sinds het begin (want de vader van Zotheid heet “geld” en het is hij die heerst over de wereld…), ons verrast.  Op dit moment bestaat er een overgang die de lezer brengt van een houding van medelijden met de zwakkeren, naar een satirische afkeuring van de machtigen.  

Na het hartelijk lachen met de “zachte” zotheid van de armen van geest, de kinderen, de vrouwen en de mensen die afdwalen of de rede kwijt geraken door de zonde, mobiliseert Erasmus zijn geestdrift en humor om de “harde” en criminele zotheid der machtigen aan de kaak te stellen, de zotheid van de “folie-sophes” (zij die van zotheid houden), de handelaars, de bankiers, prinsen, koningen, pausen, theologen en monniken. Zonder wraakgevoelens, maar met duidelijk voor de geest de slechte behandeling die hem toekwam tijdens zijn kloosterleven terwijl zij tevens beweert deze “Camarine” (stront) niet wenst om te spitten, zegt de Zotheid over de monniken: “De gelukkigste onder hen [de zotten] zijn zij die zichzelf geestelijke en monnik [letterlijk: eenzaam] noemen, twee erg valse benamingen, sinds de meeste onder hen ver verwijdert zijn van de religie en ongeveer overal aan te treffen zijn. Ik kan moeilijk indenken wiens armoede die van hun zou kunnen overtreffen moest ik [de zotheid] hen niet op veelzijdige wijze ter hulp komen. Iedereen verfoeit hen tot op het punt dat men het als een slecht voorteken beschouwd zich toevallig op hun weg te bevinden; wat hen niet verhindert over zichzelf een fabelachtige en vleiende mening te koesteren. Eerstens, in hun ogen, bestaat de volmaaktheid in het idee dat godsvruchtigheid hun niets heeft bijgebracht, zelfs niet leren lezen. Dan, wanneer ze in de kerk hun psalmen balken, welke ze te weten nummeren zonder hun inhoud te begrijpen, denken ze de oren der heiligen te strelen met diep zingenot. Onder hen zijn er ook die duur hun grofheid en bedelen laten betalen wanneer ze luid loeiend voor de deuren om brood smeken [er is geen herberg, geen koets, geen schip, waar ze geen wanorde stichten], ten nadele van andere bedelaars. En het is op zulke wijze, zo zeggen zij, dat deze allerliefste personages, met hun smeerboel, hun onwetendheid, hun boersheid en hun onbeschaamdheid, voor ons de apostelen doen herleven.”

Niets is kluchtiger dan ze alles te zien doen volgens een reglement, volgens een soort rekentafel wiens oneerbiediging heiligschennis zou zijn: zoveel knopen voor de schoen, deze kleur voor dit of dat deel van de kleding, deze verscheidenheid onder hen, deze stof en zoveel breedte voor de gordel, deze vorm en die grootte voor de kap, zoveel vingers breedte voor de beharing, zoveel uren slaap. Wie ziet er het verschil niet tussen zulke eenheid van lichaam en verwarring van geest?”

Erasmus beschrijving der bedelorden laat ons onmiddellijk denken aan Bruegel’s schilderij waar de blinden de blinden leiden. Recent wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat Bruegel hier nauwkeurig vier verschillende soorten van blindheid heeft vastgelegd welke in zijn doek overeenkomen met vier verschillende bedelorden! Waar gaat de wereld naartoe met deze clowns? De gracht in! 

Na deze aanklacht waarschuwt Erasmus tegen elke vorm van cynisch voyeurisme en het comfort van onmacht, door te stellen dat zij die dit alles belachelijk vinden moeten overwegen wat het wijste is: zich verzoenen met de zotheid (de sterkte vinden om lief te hebben en te handelen, of een balk zoeken om zich op te hangen! 

De kerk van de toekomst 

In tegenstelling met deze karikatuur, hoe zou deze “kerk der toekomst” waar de humanisten van droomden er moeten uit zien? In hoofdstuk 52 van Gargantua, geeft François Rabelais ons enkele tips.

Om een moedige monnik te belonen die zich opmerkelijk heeft gedragen door de burgers te verdedigen tegen de troepen van Pichrocole (Karel V), stelt Gargantua hem voor een klooster te bouwen met mooie muren. De monnik antwoord dat “ou mur y a et davant et derrière, y a force murmur, envie et conspiration mutue.” [waar er muren zijn, van voren of van achteren, zijn er noodzakelijk gefluister, lust en sluike samenzwering]. Uiteindelijk bouwt Gargantua de abdij van Thélème, een prachtig zeshoekig gebouw van zes verdiepingen, even glansrijk als de mooiste kastelen van de Loire. “Tussen de toren van Artice en Cryere vond men er grote bibliotheken met boeken in Grieks, Latijns, Hebreeuws, Frans, Italiaans en Spaans, verspreid over de verdiepingen naargelang de taal”, een duidelijke verwijzing naar het Drietalen college dat Erasmus voor had. De naam Thélème, verlangen in het Grieks, kan een verwijzing zijn naar Erasmus voornaam Desiderius, “de verlangde”. 

In plaats van een opvangspunt te worden voor het uitschot der aarde, zoals dat spijtig genoeg het geval was voor een groot aantal kloosters, ontvangt Thélème uitsluitend mooie mannen en vrouwen “goed gevormd en van goede natuur”. In een satirische uitval tegen het lichamelijke lijden dat veroorzaakt wordt door het bidden in de late avond van vespers en vroegmetten in de vroege morgend, zei Gargantua dat de beste manier om zijn tijd te verkwisten was “zijn leven af te stemmen op de klepel van de klok in plaats van gezond oordeel en verstand”.

Het leven van de abdij werd geregeld “niet door de voorschriften, verordeningen of regels, maar door haar goede en openhartige wil”, een onderwerp dat Erasmus aan het hart lag en waarop we verder zullen ingaan. 

Hun regel was dus “Doe wat gewild is” (meestal verkeerdelijk vertaald as [doe wat JE wilt], een vertaling die de boeiende dubbelzinnigheid wegspoelt tussen wat de mens kan willen en wat God wenst dat er gewild wordt. Gargantua vertrouwd de menselijke vrijheid “want vrije, goed geboren, goed opgeleide mensen, die omgang hebben in goed gezelschap, bezitten van nature uit een instinct, een aansporing die hen steeds tot deugdelijke daden drijft en van ontucht weerhoudt, welke ze de eer noemen.” 
 
Het filosofische optimisme, begrepen als een stil vertrouwen in de natuurlijke zin van de mens om het goed en de zelfvervolmaking te begeren, zal immers de rode scheidingslijn vormen tussen Erasmus en Rabelais enerzijds, en zekere katholieke theologen, Luther en Calvijn anderzijds. 

Het boek Gargantua eindigt met een voorspelling die aantoont dat Rabelais besefte dat zijn onderwijs een zodanig belangrijke ontwenteling in de wereld zou teweeg brengen dat zelfs de machtigsten haar niet zouden kunnen stoppen, sinds “de onverschrokken zoon zal niet langer de oneerlijkheid vrezen door zich tegen zijn eigen vader te verzetten; zelfs de Groten dezer wereld, uit den adel gesproten, zullen zich door hun onderdanen bestookt zien,…” 

Eens dat men terugging naar de ware liefde voor de leer van Christus en de mensheid, worden alle andere problemen van de wereld veel gemakkelijker opgelost.  

De utopische Republiek 

De Utopia (u-topos, of een om-het-even-waar-land), welke More had aangepakt begin 1509 als een tweeluik met de Lof der Zotheid, en waarvan Erasmus hem vroeg de afwerking te bespoedigen is voor alles een sociale satire.

Thomas More, nu kanselier van Hendrik VIII, had geen tijd meer, en Erasmus heeft zelf het schrijven van de Utopia moeten afwerken en in 1515 zelf door de pers bekeken bij hun vriend Dirk Martens in Leuven. Door het verhaal van een denkbeeldige reiziger, de Portugese scheepvaarder Rafael Hythlodeus “die goed Latijn en uitstekend Grieks kende”, geeft More een schets van een echte republiek en allerlei ideeën om niet alleen de sociale (veiligheid, misdaad, rechtspraak, huwelijk, opleiding, etc.) , maar ook de economische problemen van die tijd (agrarische landhervorming, monopolies, munt, etc.) aan te pakken.  

Hythlodeus beschrijft een goed georganiseerde beschaving: zij beschikt over schepen met platte romp en uitgerust met “zeilen van genaaide papyrus”. De leden van die beschaving “zijn graag op de hoogte van wat er in de wereld gebeurt”. Hij denkt dat ze van Griekse oorsprong zijn want Lascaris (de hellenist) is er de enige erkende taalkundige. 

Op een bepaald moment wordt er gezegd: “Ja! Moest ik de principes voorstellen die Plato had bedacht in zijn Republiek en wat de Utopiërs in praktijk omzetten in die van hen, principes die, vast en zeker merkwaardig zijn, kunnen we ons verbazen, sinds bij ons eenieder zijn eigen goed bezit terwijl daar, iedereen alles gemeen heeft.”  

Deze satirische uitval heeft vele anticommunisten doen schrijven dat More en Erasmus de eerste voorlopers van Marx waren. Bovendien valt More de losbandigheid aan van de markteconomie. “Uw schapen, zeg ik. Normaal zo zacht, zo handig te voederen zonder veel moeite, zij zijn, zo zegt men dat, zo vraatzuchtig, zo wild geworden dat zij zelfs de mensen verslinden, dat zij de velden, boerderijen en dorpen teisteren en ontvolken. In alle streken van het rijk waar men de fijnste wol vindt, en dus de duurste, hebben de adellijken, de rijken, zonder te spreken over zekere abdijen, (…) geen ruimte gegund aan voedselteelten en hebben zij de boerderijen en dorpen verwoest door ganse streken op te delen in afgesloten weilanden waar enkel nog de kerk recht stond, omgebouwd tot een veestal.”  

Vandaag zou More kunnen worden beschouwd als voorloper van het altermondialisme. Even weinig marxist als Plato, eist More niettemin de afbouw van privé monopolies en vordert een regulering ter verdediging van het gemene goed, en dit meer dan een eeuw voor het altruïstisch protectionisme van de Fransman Jean-Baptiste Colbert, de Duitser Friedrich List en de Amerikaan Alexander Hamilton

Nog grappiger is de passage waar More de spot drijft met woekerij en de dolle drift voor waardevolle metalen, woekerij die toen de bron was van de ergste uitspattingen tegen de bevolkingen van de nieuwe wereld. “En wie ziet niet dat ze (de waarde van goud) minder groot is dan die van ijzer zonder welke de mens niet zou kunnen bestaan (…), trouwens heeft de natuur geen enkele waardevolle eigenheid gegeven aan zilver en goud, moest het niet ’s mens zotheid zijn die prijs geeft aan wat raar is? De natuur, (…) stelt in onze onmiddellijke bereikbaarheid het beste dat ze ons geeft, zoals de lucht, het water of het land zelf; terwijl zij van ons verwijdert de dingen die ijdel en nutteloos zijn.” 

In Utopia, “hebben ze een middel uitgevonden om aan dit gebrek te verhelpen (…) Zij eten en drinken uit vaatwerk van terra cotta, elegant van vorm maar in wezen zonder waarde, terwijl zij, voor zowel privé als gemeenschappelijk gebruik, pispotten en kommen bestemt voor de vuilste karweien, uit goud en zilver smeden. Zij maken er ook zware gewichten en kettingen van om de vrijheid van hun slaven te beknotten. Eenieder die een van zware fouten beschuldigd is, draagt gouden oorringen, een gouden ketting rond de hals en een zware gouden band op het hoofd.” 

More laakt ook het “militair-industrieel complex” van zijn tijd en levert kritiek uit op niet te rechtvaardige en nutteloze oorlogen en het gevaar van een permanent beroepsleger. “Vanuit om het even welke hoek dan ook bekeken, denk ik dat een staat er geen enkel belang in heeft, in het perspectief van een oorlog die men krijgt omdat men er een wilt, een uitgebreide menigte van mensen van dit soort te onderhouden, die de vrede in gevaar brengen”. 

De bestraffing van diefstal met de dood, toegepast to het midden van de negentiende eeuw in Engeland, vindt geen bijval bij More, de filosoof die zijn overste raad gaf en door zijn beste leerling Hendrik VIII zal onthoofd worden. Voor More is deze bestraffing nutteloos, pervers en radicaal in tegenspraak met het Evangelie: “Op het moment dat God de mens elk recht afnam over het leven van zijn naastemens en zijn eigen leven te beschikken, zouden mensen kunnen overeenkomen om te bepalen onder welke gelegenheden de doodstraf voor elkaar toepasbaar is?” 

Driehonderd jaar voor de Duitse dichter Friedrich Schiller beseffen More en Erasmus dat een politieke revolutie alleen maar mogelijk is door de mens zin te doen krijgen in een hogere vorm van plezier. Na lichamelijke geneugten (gezondheid en de afwezigheid van lijden) gaat het nu over zielsplezier, “welke ze in Utopia als het belangrijkste en het meest verfijnde beschouwen, en dat merendeels resulteert van de praktijk der deugden en het bewustzijn een lofwaardig leven te leiden.”

Wie beseft er niet dat hij, die gans zijn leven zoekt naar lichamelijke geneugten, een leven leidt dat “niet alleen lelijk, maar ellendig is? (…) Maar overal houden zij zich aan het beginsel vast dat een kleine geneugte geen hinderpaal mag zijn voor een hoger (verhevener) genot; dat er nooit pijn moet uit voortvloeien, en dat ze als vanzelfsprekend vinden dat het nooit oneerlijk moet zijn.”

De schoonheid van het lichaam misprijzen, zijn krachten teniet doen, zijn vaardigheid in slaap sussen door luiheid, het lichaam uitputten door herhaaldelijk vasten, zijn gezondheid kapot maken en met misprijzen de zachtheden van de natuur verwerpen zonder er een vermeerdering van goed voor de naastemens of voor de staat te verkrijgen, noch een staat van opperste vreugde bijwelke God zulk een opoffering zou belonen; voor een ijdele schaduw van deugd zich zonder profijt voor een ander vernietigen, met het idee later met meer gemak een ongelukkige situatie in de levensloop, die misschien nooit zal komen, aan te kunnen: ja dat beschouwen zij [de Utopiërs] als het toppunt van zotheid, de daad van een kwade ziel tegen zichzelf en uiterst ondankbaar tegenover de natuur, sinds zij haar wegstuurt met al deze weldoeningen alsof zij roodbeschaamd was deze schuld tegenover haar te hebben”.  

In de Utopia, legt More ook de basis voor een eendracht tussen kerk en staat, grondvest voor de “positieve” onzijdigheid van de staat (In het Frans: “laïcité positive”) die vrijheid van religie en mening toelaat, verenigt voor een hoger doel. Dit begrip zal de basis zijn voor het Edict van Nantes van de Franse koning Hendrik IV en de Vrede van Munster door Mazarin: “De Utopiërs hebben verschillende godsdiensten maar, op dezelfde wijze dat meerdere wegen naar een zelfde punt leiden, convergeren alle voorkomens van hun geloof, ten spijt van hun menigvuldigheid en verscheidenheid, samen naar de verering van goddelijk wezen. Daarom ziet men in hun tempels ook niets dan wat strookt met alle geloven. De aparte rituelen van iedere sekte verlopen in eenieders huis; de openbare plechtigheden verlopen op een manier die ze op geen enkele wijze tegenspreken”. 

En men leest zelfs dat “de enen vereren de zon, de anderen de maan of een zekere planeet. Enkele vereren als de hoogste god een man die tijdens zijn bestaan voorbeeldig was door zijn moed en gelukzaligheid.”

De grote meerderheid (der Utopiërs) en waarschijnlijk de meest wijzen onder hen, verwerpen deze geloven, maar erkennen het bestaan van een enkele, ongekende, eeuwige, onmetelijke, ondoordringbare god, ontoegankelijk voor de menselijke rede, die overal over ons universum verbreid is, niet in de vorm van een lichaam, maar als een mogendheid. Zij noemen hem vader en beschouwen hem als de enige wortel van de oorsprong, de groei, de vooruitgang, de wisselvalligheden en de ondergang van alles wat bestaat. Alleen aan hem vergunnen zij goddelijke eerbetoging.”

Niettegenstaande de veelvuldigheid van hun geloven, komen de andere Utopiërs over het bestaan eens van het hoogste wezen, schepper en beschermer van de wereld.” 

De ergste lastering tegen More en Erasmus, nauwkeurig dezelfde die we vandaag aantreffen tegen Lyndon LaRouche en zijn beweging, is dat deze wereldvisie heel mooi en ideaal is, maar totale utopie is en dus geen vat heeft op de politieke werkelijkheid! Mooie begrippen hebben geen uitwerking of staatsaangelegenheden die vuil en lelijk zijn. Johan Huizinga, erkend Erasmus specialist zegt het zo: “Ten spijt een zekere ingeboren gematigdheid, was Erasmus een totaal niet politieke geest. Hij leefde te ver van de praktische werkelijkheid en koesterde een te naïef idee van de vervolmaakbaarheid der mensen om de moeilijkheden en noden van het staatsapparaat te begrijpen. Zijn ideeën over goede regering waren zeer primitief en, zoals dat dikwijls het geval is bij denkers die sterk met moraal gekleurd zijn, in de grond zeer revolutionair, zelfs als hij nooit eraan gedacht had er zulke gevolgen uit te trekken. (…) Hij ziet de economische aangelegenheden in hun idyllische eenvoud. De soeverein moet belangloos regeren en ook zo weinig mogelijk belasting heffen. (…) Hij toont zich meer realistisch wanneer hij, zich richtend tot de prins, de werken van de vrede opsomt: het onderhoud van de steden, het bouwen van bruggen, van hallen, van straten, het droogleggen van moerassen, het rechttrekken van rivierbedden, het bouwen van dijken en het ontbossen”.

Maar, voor Huizinga, dat is niet langer politiek, sinds “hier, is het, in hem, de Hollander die spreekt”. 

Erasmus in Italië en de Liga van Kamerijk 

Sinds het hier over politiek gaat, laten we dan nog een stap verder gaan. Laten we hier de grote uitdagingen van Erasmus tijd onderzoeken die door de meeste historici, ineengeschrompeld op hun academische matras, over het hoofd werd gekeken en die nochtans onontbeerlijk is om zijn levensweg te begrijpen. 

Want achter dit geestelijke leenstelsel, karikaturaal herkenbaar in de bedelordes en het wereldse goed dat zij uitbuiten, heerste er een gigantisch financieel leenstelsel waarvan misschien het meest neuralgisch punt, het “doorluchtige” Venetië was.  

Toevluchtsoord voor de Romeinse adellijke families toen de Gothen van Alaric Rome platlegden in 410, is Venetië, met Genua en de bankiers van Lombardije in het noorden, het centrum van een internationaal financieel imperium. Hun devies is “verdeel en heers” en hun specialiteit de slavenhandel, de handel in uitlaten en oorlogstokerij.  

Terwijl katholiek Venetië met de ene hand schepen verhuurd aan de kruisvaarders, verkoopt zij tegelijkertijd kanonnen aan de Turken. Erasmus doorlicht hun werkwijze in zijn samenspraak De vriend van de leugen en de vriend van de waarheid en hij is niet de enige. Want, vanaf 1501, in Blois, overweegt de Franse koning Lodewijk XII en keizer Maximiliaan, een einde te brengen aan Venetiaanse overheersing. 

In 1506, reist Erasmus naar Italië belast met de opleiding van de kinderen van de huisarts van de Engelse koning Hendrik VII. Verrast in Bologna, woont Erasmus het onvergeetbaar spektakel bij van de binnenkomst in die stad van de geharnaste Paus Julius II, tot de tanden bewapent. Het aanschouwen van de “Vicaris van Christus” aan het hoofd van een leger in dergelijke kledij overtuigd hem van de echte aard van het personage.  

Erasmus zal voor en na de beslissende gebeurtenissen zich in Venetië vertoeven. Eerst, tegen het einde van 1507, verschaft hij zich toegang tot de drukkerij van Alde Manuce (1449-1515), grote uitgever van Aristoteles wiens werkplaats een internationale ontmoetingsplaats was geworden voor humanistische kringen. Erasmus maakt er kennis met vooraanstaande hellenisten, in het bijzonder met Janus Lascaris (1445-1534), bibliothecaris en ambassadeur van de Franse koning Lodewijk XII, de latere beschermer van Leonardo da Vinci. Manuce, wiens drukkerij geldelijk wordt gesteund door prins Alberto Pio de Carpi (1475-1531) die later de strijd tegen Erasmus zal aanbinden, brengt zijn gast onder bij zijn schoonvader, Asolani. Daar deelt Erasmus zijn kamer gedurende verscheidene maanden met de jonge Aleandri. Het voedsel dat er op tafel komt is zo twijfelachtig (volgens de samenspraak Schraperige weelde) dat hij er graveel (niersteen) oploopt. 

Jeronimo Aleandri (1480-1542), die afstamde van een voorname Venetiaanse familie, was een letterkundige van de nieuwe academie van Manuce. Jaren later zal pauselijke legaat zijn belast met de vervolging van de “ketterij”. In die functie leidt hij een onverbiddelijke heksenjacht tegen Erasmus voor wie hij diepe haatgevoelens koestert. Immers Erasmus heeft zijn ideaal niet opgegeven zoals hij dat wel deed. Dat geweld tegen Erasmus kwam waarschijnlijk ook van de Venetiaanse oligarchie zelf. Het was tegen Aleandri dat de jonge Rabelais voorstelde Erasmus te helpen, zoals hij schreef in zijn brief aan de humanist.  

De strijd gaat beginnen. Op 10 december 1508, wordt in Kamerijk (Cambrai) een heterocliete coalitie op touw gezet tegen Venetië. De deelnemers hebben spijtig genoeg meer belangstelling voor hun bezittingen dan voor de toekomst der mensheid. Lodewijk XII, wenst Milaan in te rijven, gezien hij afstamde van de Visconti. Paus Julius II, voorstander van het “triomferend katholicisme” wenst Ravenna en de Romagne streek terug te winnen van de Venetiaanse bezetter. Andere prinsen en landheren sloten zich bij deze onderneming aan. 

Op het slagveld van Agnadel, op 14 mei 1509, geeft de Liga van Kamerijk een zware nederlaag aan de 40000 Venetiaanse troepen. De Koning van Frankrijk, Lodewijk XII, geeft onmiddellijk de opdracht aan Leonardo da Vinci, een pralig overwinningsfeest voor te bereiden. 

Op dat moment, vraagt kardinaal Rafael Riario (1460-1521) aan Erasmus een memorandum aan de paus voor te leggen. Erasmus schrijft er twee, waarvan beide teksten zonderling zijn verdwenen. Volgens bronnen van die tijd werd er in de ene tekst uitgeleid hoe de oorlog kon worden gewonnen, terwijl de andere tekst uitlegde hoe de vrede kon bekomen worden, eigenlijk het doel van elke oorlog. Volgens Melanchton, zou paus Julius II zuchtend gezegd hebben dat Erasmus “zeker en vast niets verstond van wereldse aangelegenheden.” 

De paus, die in werkelijkheid voornamelijk optreedt ten voordele van de concurrenten van Venetië, de Genuanen, stuurt dan als crisisonderhandelaar Agostini Chigi, een grootbankier die het pausencollege had afgekocht om de verkiezing van Julius II als paus mogelijk te maken, om een oplossing met Venetië te bemiddelen.  

Chigi stelt aan de Venetiërs voor hun monopolie over de import van aluin afkomstig van Turkije op te geven. Aluin was een strategische grondstof, een mineraal dubbelzout onvervangbaar om kleuren vast te hechten aan textiel en voor de glasindustrie. De Venetiërs, stelt Chigi, moeten van nu af aan aluin kopen bij de pauselijke aluinmijnen in La Tolfa, wiens ontginningen door Chigi worden beheerd als bron van inkomsten voor het Vaticaan. In ruil voor dit engagement schrijft Chigi’s bank een lening uit aan Venetië waarmee zij Zwitserse huurlingen kan aanwerven om de Liga van Kamerijk buiten Venetië te houden. De Liga staat immers op het punt Venetië binnen te vallen en haar macht teniet te doen. Geconfronteerd met deze pijnlijke keuze, aanvaard Venetië dankbaar het voorstel. 

Julius II draait dan op spectaculaire wijze zijn bondgenootschap om. Hij vormt nu, samen met Venetië, een verbond om de Fransen uit Italië weg te jagen. Op 5 oktober 1511 zal de Heilige Liga dit verbond verzegelen en die taak vervullen. “’Als Venetië niet bestond’ zei toen de Paus, ‘moest men er een andere uitvinden’”. 

In Rome, trachtte toen de Venetiaanse kardinaal Dominico Grimani (1461-1521), een boezemvriend van Chigi, Erasmus in Rome te weerhouden. Sluw herinnerde hij de humanist zijn broze gezondheid en bood hem vrije toegang aan zijn weelderige, toen uitzonderlijke rijke bibliotheek van 8000 boeken…  

Erasmus weigert woedend maar beleefd en slaat onmiddellijk de weg in naar Engeland. Op enkele dagen tijd schrijft hij daar de Lof der Zotheid die hij doet uitgeven in Frankrijk. De humanisten hadden een slag verloren, maar de oorlog diende gewonnen worden. Een nieuwe gelegenheid lag open aan de andere kant van de Channel. Hendrik VII was gestorven en de beschermeling van More, de jonge letterkundige Hendrik VIII, met wie Erasmus gedichten had uitgewisseld, kwam nu op de troon. 

In Rome, ten dienste van Julius II wordt Bramante belast met de wederopbouw van Sint Pieters kathedraal, Rafael voert de fresco’s uit in de “Kamer van de handtekening” en in de privévertrekken van de villa van Agostino Chigi, terwijl Michelangelo naar Carrare reist om de beste blokken marmer aan te kopen voor het praalgraf van de Julius II. Deze paus, wie Rabelais in de hel kleine pasteitjes doet verkopen, krijgt de hoofdrol in een zeer populaire satire Julius geweigerd in het paradijs. Van dit stuk zei Erasmus, dat “de auteur een zot was, en de drukker nog zotter”. 

Luther aanmoedigen om Erasmus klein te krijgen 

 

Men heeft dikwijls beweerd dat Erasmus het ei gelegd had dat Luther later heeft uitgebroed. Men zou beter stellen dat Luther als een vos door Venetië in het kippenhok werd losgelaten! De vraag is geoorloofd: als het de bedoeling was om dank zij een voorwendsel Erasmus klein te krijgen, was er niets beter te vinden!

De geschiedenis versnelt zich plotseling wanneer in augustus 1514 Albrecht van Brandenburg tot aartsbisschop wordt verkozen van Mainz. Om de kosten van zijn aanstelling te dekken bewilligt deze een aflaat in pleno tegen geld, de ganse onderneming op touw gebracht door de Fugger bank van Augsburg, de parel van een dynastie van bankiers gevormd in Venetië.  

Als de ene helft van dit geld naar Albrecht gaat, vloeit de andere helft naar Rome om de wederopbouw van de Sint Pietersbasiliek te financieren en zij die er de mis opdroegen. Met veel overtuigingskracht overtuigt de Dominicaanse prediker Tetzel de gelovigen in Mainz dat men hun gestorven familieleden van hun zonden kan verlossen, zonder enige vorm van biecht, maar door een geldelijke steun aan de kerk te verlenen. De Franse historicus Michelet beweert dat Tetzel zelfs aanbood, tegen een juiste prijs, ook toekomstige zonden kwijt te schelden!  

De schandalige uitbuiting van wat men alleen maar godsdienstig bijgeloof kan noemen, wordt het wezen van de meeste openbare theologische betwistingen. Men legde de nadruk op de “onsterfelijkheid van de ziel” niet zozeer om elk mens tot verantwoordelijkheidszin voor de eeuwigheid aan te sporen, maar om aflaten te verkopen! Dank zij deze aflaten, welke men ook “goede werken” noemde, kon iedereen zich vrij kopen door beroep te doen op zijn “vrije wil”! 

Erasmus stelt al in 1511 de praktijk van aflaten aan de kaak in zijn Lof der Zotheid. Het is helemaal niet uitgesloten dat men dit (echt) schandaal weloverwogen heeft overdreven om zodoende een politieke omgeving te scheppen die men dan onvoordelig voor Erasmus kon laten uitspelen. In 1516, op het moment dat Erasmus vol zelfvertrouwen er van overtuigd is de kerk tot zijn hervormingsvoorstellen te kunnen winnen, schrijft de zeer Venetiaanse Aleandri dat “velen hier alleen maar wachten op de komst van een ‘reddende engel’ om de keel open te zetten tegen Rome”. 

Men moet dan ook benadrukken dat het enkel tegen het einde van het jaar 1517 is dat Luther zijn 95 thesissen op de deuren van de Wittenbergse Schlosskirche nagelt waarin hij de aflaatpraktijken afkeurt. Het spreekt vanzelf dat al de schijnheiligheid van de kerk alleen maar een boulevard kon openen en roem opbrengen voor de prediker die het geloof (de directe relatie tussen de individuele persoon en God) boven het blind volgen stelde van ritussen en kerkgebruiken. Uiterst vreemd is het feit dat Luthers thesissen, zonder dat hij dat had voorgesteld of gevraagd had, onmiddellijk vertaald en gedrukt werden in het Duits om over heel Duitsland verspreid te worden, een vrij ongewoon snelle tijd voor die dagen.  

Dan, in 1518, bouwend op de thema’s van Savanarole, een Italiaanse volgeling van het thomisme, maakt Luther zijn leerstelling kenbaar in Heidelberg. Terwijl hij enerzijds de overheersende invloed van Aristoteles op de godsleerkunde weerlegt, benadrukt Luther anderzijds de zondige natuur van de mens en ontkent hij elke vorm van vrije wil. Paus Leo X dagvaardigt Luther zich aan te bieden aan zijn speciale zendeling, kardinaal Cajetan. Maar de audiëntie vindt plaats in de hoofdzetel van de Fugger bank in Augsburg (!) Luther weigert zijn fouten in te zien, en vraagt de kerk een algemene Concilie te organiseren om met de foutieve praktijken gedaan te maken, een voorstel dat oppervlakkig overeenkomt met wat Erasmus voorstelde.  

Erasmus beseft onmiddellijk Luthers rol als “agent provocateur”, want hij bevindt zich nu tussen de hamer en het aambeeld, tussen “Scylla en Charibde”. Luthers radicaliteit gaf het ideale voorwendsel om de humanistische hervormingsbeweging te verwerpen en Erasmus schreef: “Mooi verdediger van de evangelische vrijheid! Door zijn fout zal het juk dat wij dragen tweemaal zwaarder worden. Wat vroeger alleen maar een mogelijke mening was in de school, wordt nu al geloofswaarheid. Het wordt gevaarlijk het Evangelie te onderwijzen… Luther handelt als een wanhopige; zijn tegenstanders prikkelen hem naar wens. Maar moesten we hun overwinning bijwonen blijft er nog enkel het grafschrift van Christus te schrijven welke niet langer zal verrijzen.” 

Om uit de hinderlaag te geraken die tegen hem op touw werd gezet, moet Erasmus nu tegelijkertijd reageren op verschillende fronten. Om te beginnen spoort hij Luther aan in een brief tot gematigdheid. Tegelijkertijd vraagt hij aan de keurvorst Friedrich van Saxen Luther niet over te leveren voor een Universiteit zich over zijn lot uitspreekt. Bovendien bewerkt Erasmus de heruitgave van zijn Handvest van de Christelijke soldaat, waarin hij de uitdagingen bepaald voor het christendom en hij schrijft naar de Paus en naar de kardinalen die hem nog willen aanhoren. Zonder de nood van hervorming weg te praten, zegt Erasmus dat zij er voor moeten zorgen dat de kerk als de pest moet vermijden met Luther in een debat verwikkeld te geraken. Het schandaal dat Luther aan de kaak stelt bewijst de juistheid van Erasmus analyse: als de kerk van Rome niet onmiddellijk ingaat op het voorstel van Erasmus om een vreedzame, geleidelijke hervorming te bewerkstelligen zal zij ervan beschuldigd worden verantwoordelijk te zijn voor een eeuw zinloos geweld! Erasmus herhaald die bewering in zijn brief aan Thomas More van 1527: “ik vrees dat het vuur dat smeult weldra zal opflakkeren en de wereld onderste boven gooit. Dat is in alle geval waartoe de arrogantie der monniken en de gewelddadigheid der theologen aansporen”. 

Het onsterfelijke Rome luistert niet en denkt handig Luther uit te spelen om Erasmus klein te krijgen en opent dus de verdraaide polemiek. 

Luther, op zoek naar geldelijke bijdragen, schreef in 1519 zijn manifest Aan de christelijke adel van de Duitse natie over de verbetering van de christelijke natie. Hij greep daarin naar de gevoelige snaar van het wordende Duits nationalisme en de ontevredenheid van de boeren. Voor Luther heeft de geestelijke macht geen voorrang op de wereldse macht en bestaat het priesterschap voor elke gelovige en niet alleen voor de geestelijken. Het is niet de rol van de Paus, zo stelt hij, maar van de Prinsen, om Concilies bijeen te roepen.  

Door zich te verhuwelijken met een gewezen kloosternon die hem zes kinderen schenkt, vlijt Luther de geestelijke familiewaarden waar de boeren zich in erkenden. Om een familie te leiden, geen behoefte aan oversten of bemiddelaar. De Bijbel is voldoende, een boek in plaats van een man. Neem dit, en lees het maar eens! 

In 1520, worden in de Fuggerstad Augsburg, tussen augustus en november, in een recordtijd, de drie hoofdwerken van Luther in het Duits gedrukt, waaronder De Babylonische gevangenschap van de kerk 

Eind 1520 verbrandt Luther de pauselijke bul die hem veroordeelt en begin 1521 wordt hij met een kerkelijke ban veroordeeld door Leo X. Op voorstel van Erasmus, die meestens Luther afkeurt, organiseert de Keurvorst Frederic van Saxen een schijn ontvoering. Luther wordt op een veilig plekje verborgen: het Wartburg kasteel bij Eisenach. Daar vertaalt hij het Nieuwe Testament in het Duits.  

Erasmus heeft snel begrepen dat met Luther, heel Erasmus’ opzet voor de hervorming van de kerk dreigt mee ten onder te gaan en de wereld dreigt zich fataal in oorlog te storten. Ondertussen verzekert Erasmus zich ervan dat zijn vriend, de jonge humanist Philip Melanchton (1497-1560) de leiding van de protestantse stroming kan nemen. Melanchton schrijft een Catechismus van de hervorming en zal altijd open blijven voor verzoening met Rome. 

Op 8 mei 1521, ondertekent Keizer Karel een plakkaat (godsdienstverordening) die als ketter veroordeelt elk onderdaan die Bijbels of schriften van Luther bezit of leest. Wie deze verordening overtrad was schuldig van “laesa majestas divina” (goddelijke majesteitsschennis) dwz. godsverraad (een uitdrukking al gebruikt in de dertiende eeuw door Paus Innocentius III tegen de katharen of Albigenzen).  

De gelijkschakeling van ketterij met hoogverraad, die met de dood kan bestraft worden, voert voor de eerste maal een noodwetgeving in totaal vreemd in de Bourgondische Nederlanden. Ketters werden dus uitgeleverd aan de gerechtelijke macht die bevoegd was om te beslissen over hun leven en dood. 

Men kan zich verwonderen over het feit dat de bul die de boeken van Luther verbiedt uitsluitend opgelegd werd aan de Bourgondische Nederlanden, de nieuwe natiestaat en vaderland van Erasmus, en helemaal niet in het Saxen van Luther! Keizer Karel, zo beweren de geschiedschrijvers, nam in acht dat hij de steun nodig had der Duitse prinsen in zijn oorlogen tegen Frankrijk.  

De toepassing van deze noodwetgeving stootte zo sterk op het verzet van lokale gerechtelijke beambten dat Philips II zich verplicht zag hertog Alva naar de Nederlanden te sturen om de beslissingen van de Bloedraad daadwerkelijk tot uitvoering te brengen, wat uiteindelijk onze gewesten tot opstand en omwenteling leidde.  

Ik vind de dood zoeter dan het knechtschap” (brief van Erasmus aan More) 

In Leuven waar Erasmus vertoeft, zegt Nicolaas Baechem van Egmond - een karmeliet die snel een kopstuk van de Inquisitie werd - dat “zolang Erasmus weigert te schrijven tegen Luther, beschouwen we hem als een lutheraan”. Het gerucht wordt dan verspreid dat Erasmus eigenlijk de auteur is van bepaalde schriften van Luther. 

Allen die geaarzeld hadden hem te bestoken toen zij hem beschermd dachten door pausen en koningen geven nu vrije loop aan hun haat. De kwaadsten zijn de valse vrienden, zij die nijdig zijn op zijn roem en alle soorten van zondagstheologen die Erasmus, als Plato, de “horzels” noemt. Maar Erasmus houdt stand en beweert dat “noch de dood, noch het leven, hem van de gemeenschap der katholieke kerk kan doen afsplitsen”. 

Zijn vrienden vrezen dan voor zijn leven en vragen hem te schrijven tegen Luther… of zich bij hem te voegen. Niets schept meer ongerustheid dat zich inzetten voor rede en gematigdheid. Onder deze omstandigheden wordt het denk- en werkklimaat in Leuven ondraaglijk en in 1522 kiest Erasmus de weg naar Basel waar hij warm wordt onthaald door de vriendenkring van de Zwitserse drukker Johan Froben (1460-1527)

Daar bewerkt hij de Samenspraken, sommigen geschreven voor 1500 in Parijs om de Latijnse taal aan te leren aan kinderen van welstaande families.  

Erasmus had al snel begrepen dat zijn tegenstanders veel meer belang stelden in hun eigen statuut, hun ijdel eergevoel en hun leefcomfort, dan in het zoeken naar waarheid over God en de toekomst van de mensheid. In de kleine satirische Samenspraken [Colloquia] van die periode treffen we dus meer dan één vertegenwoordiger persoonlijk aan van Erasmus’ tegenpartij.  

Niets dan humor voor de vijanden van humor! Erasmus heeft dolle pret door het belachelijk maken van de Engelse theoloog Edward Lee (1482-1544) en nog meer met Beda, de deken van de Parijse Universiteit La Sorbonne, en zoveel anderen die de wereld hebben vergiftigd door het bezoedelen van elke vorm van klimaat van wederzijdse eerbied en vertrouwen, wezenlijk nodig om de dringende hervorming van de kerk te begeleiden. Vincent Dirks, een dominicaan van Leuven afkomstig van Haarlem en lasteraar van Erasmus verschijnt in De Begrafenis als een hebzuchtige bedelmonnik die gunsten voor zijn orde afperst van een lijk.  

Noël Beda (Bédier, 1470-1537) was de opvolger van Jan Standonck van Mechelen, zuiver product van de ascetische vleugel van de Broeders van het Gemene Leven, als hoofd van het Montaigu College in Parijs. Deze instelling, waar harde lichaamskastijding de regel was, zag eerst Erasmus en Vivès op haar schoolbanken, gevolgd door Ignatius van Loyola (1491-1556) en Johannes Calvijn (1509-1564).  

Beda zal alles betrachten om Erasmus mede te veroordelen in het gerechtsbeding tegen Erasmus’ vertaler Louis Berquin (1485-1529), verbrand op de brandstapel in Parijs voor niet eerbiediging van katholieke geloofsfeiten.  

Jaren voor het bestaan van de Index Vaticanus had de Franse Sorbonne al lijsten opgemaakt, uitgegeven in 1544, van verboden lectuur en ongodsdienstige auteurs. Al in 1526, heeft deze faculteit geschriften van Erasmus als ketters gebrandmerkt en later ook deze van François Rabelais. Al zwaar beproefd door de Lof der Zotheid, waren Erasmus tegenstanders woedend zich te herkennen in zijn Samenspraken. Sindsdien hebben zij hem dat nooit vergeven. 

In 1530, in een humanistische bui en onder invloed van zijn zuster Margareta van Navarre, belast de Franse Koning François I de geleerde Guillaume Budé, in contact met Erasmus, naar het model van Erasmus’ Drietalencollege, het Collège des lecteurs royaux op te richten om de groeiende kwaadsprekerij van de Sorbonne tegen zijn regime te bestrijden.  

De vervolging van de joden en de moren in Spanje in 1492 door Thomas van Torquemada (1420-1498) onder Isabella “de katholieke” bracht de smaak van bloed terug in de mond van de Inquisitie. Deze Inquisitie zal weldra zijn vuil werk verderzetten in de lage landen. Erasmus wist al heel vroeg wat er aan de gang was, vooral na de aanvallen tegen hem toen hij de verdediging had opgenomen van Johannes Reuchlin (1455-1522), een schriftgeleerde die zich uitsprak tegen de Dominicanen van Keulen die Hebreeuwse geschriften verbranden.  

Erasmus’ vriend, Juan Luis Vivès (1492-1540), een jood die zich tot het katholicisme had verkeerd en samen met Erasmus en More in Leuven werkte, had hem waarschijnlijk wel verteld wat wij vandaag met zekerheid weten. In 1524 wordt Vivès’ vader op de brandstapel terecht gesteld, beschuldigd van geheime joodse praktijken. Enkele jaren later, wordt het stoffelijke overschot van zijn moeder, nochtans gestorven sinds 1509, opgegraven en verbrand voor dezelfde redenen (!). 

Het is schijnbaar tegenstrijdig, maar Spanje was het land waar Erasmus werk het meest vertaald en gedrukt werd. De kardinaal van Toledo, Ximenez de Cisneros (1436-1517) drukt er een meertalige Bijbel in het drietalige Bijbelcentrum van de Universiteit van Alcala. Tot aan de dood van Erasmus, was de Spaanse Inquisitie zo verdeeld dat zij in de onmogelijkheid stond een veroordeling tegen de humanist uit te spreken. Maar enkele jaren na de dood van Cisneros, in 1522, zal zijn jaloerse medewerker Diego Lopez de Zuniga zich aansluiten bij de vijanden van Erasmus. 

De plundering van Rome (Sacco di Roma) van mei 1527 door lutheraanse landsknechten en Spaanse hidalgo’s bevestigt alleen maar wat Erasmus voorspeld had. Hij wijst de kerk opnieuw op de dringende noodzaak zijn voorstellen tot hervorming te aanvaarden. Zolang de Paus zich bemoeit met wereldse aangelegenheden en keizerlijke opeenvolgingen, zal oorlog blijven dreigen.  

Keizer Karel, denkt Erasmus, heeft, onder de invloed van de theologen, het Spaans keizerlijk messianisme als zijn eigen visie opgenomen. Erasmus herinnert zich de betere momenten. Hij verdedigt het ideaal van een grondwettelijk bestuur der XVII Bourgondische Nederlanden, een bestuur waar hij gedurende zijn leven een levendige getuige van was. 

Uitgeput door het barbaarse gedrag en van wat hij de “mateologie” noemt (ijdel gepraat), herhaalt hij in de Hyperaspistes (superschild): “Ik heb nooit de katholieke kerk verloochend. Ik weet dat in deze kerk, die jullie paaps (pausgezind) noemen, er vele zijn die me mishagen, maar zo zie ik er ook in uw kerk. Men verdraagt gemakkelijker de onvolkomenheden waar men aan gewoon is. Bijgevolg, ondersteun ik deze kerk totdat ik een bemerk die beter is, en zij is goed en wel verplicht mij te ondersteunen totdat ik zelf beter wordt. En hij is geen slechte schipper die op gelijke afstand tussen twee verschillende kwalen zeilt.” 

In 1530 schrijft Erasmus aan een van zijn laatste aanhoorders in Rome, de kardinaal van Carpentras, Jacques Sadolet (1477-1547), “wanneer U, zelfs als God het niet behaagt, verschrikkelijke omwentelingen zal vaststellen in de wereld, rampzalig niet zozeer voor Duitsland als voor de kerk, herinner U dan dat Erasmus het had voorspeld.” 

Vrije verklaring tegen vrije wil 

Onder druk van zijn vrienden die stelling nemen aan beide zijden, komt Erasmus er eindelijk aan toe de diepe inhoud van Luthers ideeëngoed (en dat van de katholieke “horzels”) aan de kaak te stellen zonder zijn eigen vordering voor hervorming op te geven. Bij elke verkiezing van een nieuwe paus, maakt hij van de gelegenheid gebruik om voor te stellen dat een onafhankelijke commissie, gevormd door vertegenwoordigers wier waardigheid en eerlijkheid door beide partijen en ook de staten wordt erkend, in het leven wordt geroepen. Maar Rome blijft doof en verkiest met haar dubbelspel verder te gaan.  

Koningen, in het bijzonder de aartskatholieke Hendrik VIII van Engeland, smeken Erasmus zich uit te spreken. In het voetspoor van Augustinus en Valla, schrijft Erasmus in Basel zijn “Collatie over de vrije wil” [De libero arbitrio diatribe sive collatio] die verschijnt in Antwerpen in 1524, later door Leibniz uitgewerkt in zijn Theodiceus

Al blijkt deze problematiek zich louter te bevinden op theologisch vlak (“door vrije wil versta ik hier het doeltreffend handelen van de menselijke wil die hem in staat stelt zich te verbinden met wat hem tot de eeuwige zaligheid leidt of met wat er hem van afleidt”), de fundamentele vraag van het humanisme wordt hier gesteld: zijn wij in staat de keuze van het goede te doen of zijn wij enkel, in de woorden van Luther, “als de hakbijlen in de handen van de houthakker?” 

Met behulp van voorbeelden wijst Erasmus welk gevaar opduikt, als naastenliefde vergeten wordt, en theologische redetwistingen tot hun absurde uitersten worden gedreven. “Bepaalde leerstellingen zijn schadelijk want onaangepast, zoals wijn geen goed doet aan een koortsige. (…) Zulke spelletjes spelen voor een breed publiek, lijkt me niet alleen nutteloos, maar verderfelijk.” 

Dan overweegt hij zorgvuldig de argumenten die voor of tegen het begrip van de vrije wil pleiten en stelt vast dat zonder vrije wil, het begrip zonde inhoudsloos wordt. Moest de mens niet meer verantwoordelijk zijn voor zijn daden wanneer hij het goede doet, hoe kan hij dan verantwoordelijk worden gehouden wanneer hij het kwade doet? 

Wanneer Erasmus de nadruk legt op de innige overeenstemming die groeit tussen de samenwerkende goddelijke genade en de vrije menselijke wil, vindt hij het hoogst belangrijk de juiste verhouding van beiden te bepalen. 

In tegenstelling tot, en minder hard dan Augustinus, voor wie de vrije wil alleen bestaat als een deel van goddelijkheid die de schepper in elke mens geschapen heeft, kent Erasmus een echte rol toe aan de vrije wil van de mens, zonder zich bij de ketterse ideeën van Pelagius (c. 354- C. 420-40) aan te sluiten. Deze laatste werd door Augustinus bestreden voor zijn beweringen dat bijna alles van de mens alleen kwam en bijna niets van God. 

Om dit begrip kracht bij te brengen gebruikt Erasmus een eenvoudige maar wondermooi tedere metafoor: “een vader heeft een kind dat nog niet kan lopen. Het kind valt en de vader houdt het kind vast dat allerlei inspanningen doet om recht te krabbelen. De vader toont aan het kind een vrucht en het kind tracht deze vrucht vast te grijpen. Maar, door de zwakheid van zijn leden zakt het kind nogmaals door de knieën moest de vader het niet ondersteunen en zijn stappen leiden. Gegidst door zijn vader bereikt eindelijk het kind de vrucht welke de vader goedwillig in zijn handen plaatst als beloning voor zijn inspanning. Het kind had niet kunnen terug opstaan zonder de hulp van de vader. Het zou de vrucht niet zien, moest de vader die niet tonen. Het kind zou niet kunnen gaan zonder de steun van de vader in zijn wankele stappen. Het had de vrucht niet kunnen bereiken moest de vader hem deze niet in de handen gelegd hebben. Wat kan dus in dit geval het kind opeisen als komende van zichzelf? Nochtans kunnen we niet zeggen dat het niets deed. Maar het is echt niet de moeite zich te beroemen over zijn vermogens, sinds het is, in alles, erkentelijk aan zijn vader.” 

Erasmus, in een ongelooflijke krachttoer slaagt erin de vinger te leggen op de hoogmoed, een hoofdzonde die zowel Rome als Luther beging.  

De hoogmoed van hem die het recht opeist van “vrije verklaring” (Luther) sluit zich aan bij de hoogmoed van overdreven rituelen. Erasmus’ stellingname voor een nederige houding van de mens voor God, waar Luther dacht het monopolie over te hebben, verijdelde zijn fanatisme en bracht vele mensen terug naar meer wijsheid. Tegen de onverbiddelijk Bijbelse letterlijkheid van een Luther voor wie God op gierige wijze zijn genade voorbehoudt aan “de zuiveren” (katharen), stelt Erasmus de grootmoedigheid en onuitputtelijke barmhartigheid van God, steeds bereid lief te hebben zij die zich waarachtig de vrije keuze maken naar hem terug te keren.  

Het is dus helemaal geen verrassing in de werken van schilders die deel uitmaakten van Erasmus Antwerpse vriendenkring, zoals Gerard David of Quinten Matsys, heilige maagden aan te treffen met op hun knieën een naar een vrucht grijpend Jezuskind.  

Luther zal heel zijn juridisch-theologische wetenschap op het been brengen voor het schrijven van zijn repliek op Erasmus, “Over de geknechte wil” [De Servo Arbitrio], één jaar later, in december 1525. Schijnheilig beleefd keurt Luther Erasmus af en levert zelfs extra argumenten om Erasmus door de Inquisitie te doen veroordelen.  

Diep gekrenkt door Erasmus wanneer die het gevaar benadrukt van een theologische aangelegenheid een grootscheepse betwisting te maken, beschuldigt Luther Erasmus ervan “de zaak van de vrije wil te rangschikken onder deze die nutteloos en onnodig zijn. In de plaats, somt u ter wille van ons dingen op de u toerijkend beschouwd voor het christelijke geloof: dat geeft zulke gedaante, dat om het even welke jood of heiden die van Christus niets weet, zich erin herkent. Want Christus daar vermeldt ge zelfs geen jota van, alsof gij dacht dat de christelijke godsvrucht zou kunnen bestaan zonder Christus, mits men met al zijn krachten de vergevensgezinde God in zijn natuur vereert. Wat kan ik hier zeggen, Erasmus? Volledig, komt van U de reuk af van een Lucianus en de wasem van de grote dronkemansroes van Epicurius.”  

In zijn besluit, levert Luther als bewijs van zijn leerstelling de axioma’s waarmee hij zijn betoog had ingeluid: “Als wij aannemen dat het waar is dat God alle dingen op voorhand weet en beschikt, kan hij niet tot vergissing gebracht worden noch beperkt zijn in de voorkennis en voorbestemming die hem toekomen. Verder kan er niets gebeuren als hij dat niet zelf gewild heeft: dat is het wat de rede zelf zich verplicht te erkennen; en terzelfder wijze, met precies de getuigenis van de rede, kan er geen vrije wil bestaan in de mens. (…) Het is ook even klaarblijkelijk, zoals dat afgeleid kan worden van het voltooide werk en de ervaring, dat de mens zonder de genade niets kan willen, behalve het kwaad. Om kort te gaan: als wij geloven dat Christus de mens heeft vrijgekocht met zijn bloed, dan zijn wij verplicht te erkennen dat het de mens in zijn volledigheid die verloren was; anders stellen we ons Christus voor, of als oppervlakkig, of als de verlosser van het minst waardige deel: wat een godslastering en een heiligschennis is.” 

Het Calvinisme et het Jansenisme zullen dikwijls bouwen op radicale, letterlijke interpretaties van schriften van Augustinus of van Paulus brief aan de Efeziërs (II,8), waarin hij zegt: “Door zijn genade bent u nu immers gered, dankzij uw geloof. Maar dat dankt u niet aan uzelf; het is een geschenk van God en geen gevolg van uw daden, dus niemand kan zich erop laten voorstaan.” 

The Ciceroniaan 

Voor de dreigende komst van godsdienstoorlogen en repressie, verdubbelt Erasmus de druk op degenen die hij lief heeft om op redelijke, geleidelijke wijze de dringende hervorming van kerk en maatschappij door te voeren. Verbitterd door het verval van dat Italië waarin hij al zijn hoop had geplaatst, schrijft hij in 1528 De Ciceroniaan, of over de beste soort van welsprekendheid, een satirische uitval tegen de letterkundige kring opgericht door de Venitiaan Pietro Bembo (1474-1547) en waarvan Jeronimo Aleandri deel van uitmaakte. De Ciceronianen was de generische naam voor het Bembisme: voor hen, kon men zich enkel uitdrukken door het waanwijzig nabootsen van de taal van de Romeinse staatsman en denker Cicero (106 v. JC – 43 v. JC) en door het uitsluitende gebruik van woorden, zinnen of stukken van zinnen, van Cicero! 

Het Boek van de Hoveling, gedrukt datzelfde jaar in Venetië, waar de diplomaat Baldassare Castiglione (1478-1529) Leonardo da Vinci tracht belachelijk te maken, is daar een prachtig voorbeeld van sinds het totaal bijeengeschreven is met zinnen geleend uit werken van Cicero en Bembo. Voor Erasmus is de maat vol, sinds deze lieden, in plaats zich in te zetten voor de hervorming en zo algemene oorlog helpen te vermijden, hun dagen doorbrengen, in de beste gevallen, door zichzelf voldoening te geven via “fijne letterkunde” [Belles Lettres]. Erasmus ontmaskerd eveneens het verborgen doel van deze pseudo-intellectuele opzet: de terugkeer naar Romeinse afgoderij van hen die eertijds de christenen voor de leeuwen hadden gegooid: 

Citaat: 

Boulephorus (hij die raad geeft): Zeg nu eens, is de huidige staat van onze eeuw, is die volgens jouw inzien, in overeenstemming met de wezenlijke karaktertrekken van het tijdperk waarin Cicero heeft geleefd en gesproken, terwijl er een totale verandering heeft plaats gegrepen in de godsdienst, in het rijk, in het gerechtsapparaat, de openbare orde, de wetten, de zeden, de studies et zelfs in de lichamelijke verschijning van de mensen et al de rest? 

Nosopon (de zieke): Niets komt overeen. 

Boulephorus: Wat zou dus de onbeschaamdheid zijn van hem die van ons zou eisen dat wij over alle zaken spreken op de manier van Cicero? Dat hij ons eerst het Rome dat toen bestond weer opbouwt, ons de Senaat en de Curie terugbrengt… (volgt een uitvoerige beschrijving van een groot aantal Romeinse instellingen die verdwenen zijn). Sinds dat vanuit alle oogpunten het toneel van de menselijke aangelegenheden totaal veranderd is, wie kan er op een aangepaste manier spreken zonder diepgaand te verschillen van Cicero?

(…) Neem maar eens. Ik moet een sermoen uitspreken voor een gemengde menigte waaronder zich maagden, getrouwde vrouwen en weduwes bevinden; ik moet hen aanspreken over het weldoen van vasten, van boetedoening, van de vruchten van het bidden, van het nut van aalmoezen, van het heilige karakter van de bruiloft, van het misprijzen van kortstondige aangelegenheden, van de ijver voor het heilige schrift; welke hulp kan hier de welsprekendheid van Cicero mij aanbieden sinds hij geen besef had van de werkelijkheden die ik moet aanspreken en waarvoor ik enkel woorden kan gebruiken die na hem geboren zijn, nieuw voor nieuwe zaken. Zal hij niet uiterst kouwelijk zulke onderwerpen behandelen, hij die hieraan lappen naait van Cicero afgescheurd? … 

Boulephorus : (…) Wat doet in dat geval de volgeling van de ciceroniaanse stijl? Zal hij zwijgen of zal hij de uitdrukkingen van de christenen omwisselen? 

Nosopon : Waarom ook niet? 

Boulephorus : Laat ons even een voorbeeld inbeelden. De volgende zin: “Jezus Christus, woord en zoon van de eeuwige vader volgens de profeten, is in de wereld gekomen en mens geworden; hij heeft door zich aan de dood te overleveren zijn kerk vrijgekocht en heeft de toorn van de beledigde vader van ons afgewenteld. Hij heeft ons met deze verzoend, zodat wij, gerechtvaardigd door de genade van het geloof en bevrijd van de tirannie in zijn kerk kunnen binnentreden en, volhoudend in de gemeenschap van de kerk, na dit leven het koninkrijk der hemelen bereiken”, zou eerder als volgt door de ciceroniaan geformuleerd worden: “Bemiddelaar en zoon van Jupiter Heel goed en Heel groot, Redder, Koning, naargelang de antwoorden van de voorspellers, is hij van de Olympus afgedaald op de aarde, en na het opnemen van de menselijke gedaante, heeft hij zich aan de goden der voorvaderen toegewijd ter heil van de republiek. Op die manier heeft hij zijn vergadering, stad of republiek bevrijdt en de bliksem van Jupiter Heel goed Heel groot die onze hoofden bedreigde uitgedoofd en ons terug in zijn genade gebracht. Herboren in onze onschuld door de milddadigheid van overtuiging, en vrijgelaten van de overheersing der sycophant, kunnen wij aldus weer opgenomen worden in de stad en door het volhouden in de maatschappij van onze republiek, wanneer ons noodlot ons buiten dit leven roept, de soevereine macht bekomen in gezelschap van de heiligen…”

(...) Geloof me Nosophon, dat is heidendom, het is heidendom die zulke zaken overtuigend aan onze oren en harten laat klinken: wij zijn slechts christenen bij naam. Het lichaam is ondergedompeld in doopwater, maar de ziel is niet gereinigd; het voorhoofd heeft het kruisteken ontvangen, maar de ziel vervloekt het kruis; wij prijzen Jezus met de mond, maar in ons hart dragen wij Jupiter Heel goed Heel groot en Romulus. 

(Eind Citaat) 

In 1530, toen Paus Clement VII werd gedwongen Karel V als keizer te kronen, vergoedt Venetië Bembo voor zijn goede diensten en de daadwerkelijke bestuursraad van deze “Republiek”, de Raad van tien benoemde hem tot haar officiële geschiedschrijver. 

Erasmus, die de kardinaalshoed weigerde die de Paus Paulus III hem voorstelde, zal in 1531 gewelddadig onder vuur worden genomen door Julius Cesar Scaliger (1484-1558), een ciceronier. De fransman Etienne Dolet (1509-1546), een voormalig humanist die zich bij de ciceronianen aansloot, bestookte ook Erasmus wat hem niet van een dood op de brandstapel bespaarde. 

Gezien Erasmus ervan beschuldigd wordt Rome en Italië aan te vallen, wordt het anti-erasmisme er een nationale gelegenheid. Vanaf 1543, verbrandt de beul van Milaan zijn werken die vanaf 1559 (tot 1900) op de verboden lezerslijst staan van de Codex Vaticanus

Honderd jaar later, op 4 november 2000, heeft paus Johannes-Paulus II Thomas More heilig verklaard, wat aantoont dat evolutie mogelijk is. 

François Rabelais (1494-1553) 

Laten we als sluitstuk even oppervlakkig de geschiedenis schetsen van deze belangrijke Franse Erasmiaan. Geboren in 1483 (of 1494), bevindt François Rabelais zich onder de monniken van het Franciskanerklooster van Puy-Saint-Martin, tegen Fontenay in de Vendée. Daar is hij bevriend met Pierre Amy (“Lamy”) waarvan Erasmus zegt dat hij “nooit iemand met zuiverder zeden zag dan die van hem”. Lamy brengt Rabelais in briefwisseling met Guillaume Budé (1467-1540), promotor in Frankrijk van de oude Griekse taal zoals Jacques Lefèvre d’Etaples, vertaler en uitgever van Cusanus, en de kring van Meaux bezield door zijn leerling, de abt Guillaume Briçonnet (1472-1534). 

In het gezelschap van Lamy krijgt Rabelais omgang met de humanistische kring van de wetsdokter André Tiraqueau in Fontenay. Rabelais ontmoet er de heer Geoffroy d’Estignac, prior en bisschop van de benedictijnenabdij van Maillezais, waarvoor hij gedurende verscheidene jaren als secretaris werkt. 

In de naherfst van 1523, beslist de (franciscaanse) Sorbonne, in staat van paniek over de nieuwe uitgave van de Griekse tekst van het evangelie volgens de Heilige Lucas, de studie van het Grieks over heel Frankrijk. De monniken in het klooster van Rabelais slagen genadeloos de Griekse boeken van Rabelais en Lamy in beslag. Rabelais beleeft in zekere wijze dezelfde ervaring die Erasmus had beproefd bij de broeders in ’s Hertogenbosch. 

Lamy wijkt uit naar Orléans, verblijft in Lyon en eindigt in Zwitserland. Rabelais verlaat het klooster in 1527 en gaat geneeskunst studeren in Parijs als een leek. Bachelaureaatskandidaat in Montpellier schrijft hij commentaar op Hippocrates en Galienus welke hij van het Grieks in het Latijns vertaald in 1531. 

Tussen 1532 en 1533, werkt Rabelais in Lyon als arts. Tegelijkertijd vervult hij, zoals Etienne Dolet, de functie van corrector bij Sébastien Gryphe (1491-1556), de drukker van Erasmus. Onder de naam van Alcofrybas Nasier (anagram voor François Rabelais) geeft hij in Lyon zijn eerste boek Pantagruel uit, gecensureerd door de Sorbonne voor onzedelijkheid. 

Rabelais begeleidt Geoffroy d’Estignac naar Rome tussen 1533 en 1536 en gaat er een tweede keer naartoe als arts voor Guillaume du Bellay (1491-1543), broer van de kardinaal van Parijs, Jean du Bellay. De gebroeders du Bellay vormden de brug tussen de Franse “politiques” en de matige Duitse hervormers waaronder Erasmus vriend Philipp Swarzerd (Melanchton) (1497-1560). Zij zullen ook door de Franse koning met een delicate diplomatische zending belast worden als bemiddelaars tussen Rome en de Engelse koning Hendrik VIII in de zaak van zijn echtscheiding, een zaak die uiteindelijk het hoofd zal kosten van Thomas More in 1535. Na de dood van Jean du Bellay, zei Keizer Karel dat zijn pen meer schade had aangebracht dan alle Franse legers. 

Rabelais telt ook onder de beschermelingen van Margareta van Navarre (1492-1549), zuster van koning François I. Na diens dood wordt Rabelais behoed door diens opvolger, koning Hendrik II. 

Het zou te ver leiden hier in detail uiteen te zetten op welke wijze Rabelais de erasmiaanse kunst opnam in zijn werk. 

De passage betreffende de torche-cul [kont-afveger], een grappige satire tegen de scholastiek van het Scotisme, of de doofstomme dialoog tussen de Engelsman Thaumaste en Panurge, waar Rabelais onverbiddelijk het nominalisme van Ockham aan de kaak stelt, zijn kentekende voorbeelden van de “filosofie van Christus” die hij met de humanisten deelde. 

Hoe herhalend thema’s van More’s Utopia en Erasmus’ Samenspraken en Adagio’s in Rabelais’ werk opduiken is al meermaals op overtuigende manier aangetoond. In een ontroerende brief, geeft de jonge Rabelais nederig toe dat zijn werk grotendeels verschuldigd is aan Erasmus: “Wat ik ben, wat mijn waarde uitmaakt, is aan U alleen verschuldigd.” 

Het is natuurlijk onder de omstandigheden, en in de geest, van een echte verzetsbeweging dat men deze brief van Rabelais aan Erasmus moet beschouwen. 

Op 30 november 1532, schrijft Rabelais van Lyon een voorzichtige brief in Latijn aan een zekere Bernard Salignac, stroman voor Erasmus in Basel. De brief aan Erasmus werd door Rabelais meegegeven met een boek, opgestuurd in de naam van de bisschop van Rodez, Georges d’Armagnac, een van de diplomaten van koning François I, De oude geschiedenis van de Joden, geschreven door de Romeinse geschiedschrijver Josephus Flavius (37-100). 

Rabelais schrijft: “Het is met deze gelegenheid (…) dat ik besloten heb U te laten weten (…) welke eerbiedvolle affectie ik voor U koester, beste wijze en goede vader. Ik heb U “vader” en ik zou U zelfs “moeder” willen noemen (…). Het is nu zo dat zwangere vrouwen (…) een foetus voeden welke ze nooit gezien hebben en beschermen hem tegen de schadelijkheid van de omringende lucht; U hebt U zich die moeite gegeven en in het bijzonder: U hebt nooit mijn gezicht gezien en zelfs mijn naam is U onbekend. En U hebt mij opgevoed, U hebt me zonder verlaat gezoogd met de onberispelijke melk van uw goddelijke wetenschap; Wat ik ben, wat mijn waarde uitmaakt, is aan U alleen verschuldigd: moest ik dat niet openlijk zeggen dan zou ik de meest ondankbare mens zijn van de huidige en komende tijden. Het is daarom dat ik U begroet, en begroet U nog een keer, vader helemaal vol liefde, U die de vader en de roem van uw vaderland bent, verdediger der letterkunst, U die het kwaad afwentelt en die de onoverwinnelijke kampioen van de waarheid zijd.” 

Rabelais verteld dan aan de humanist dat hij nauwe, vriendschappelijke banden heeft met Hilaire Bertolphe, een voormalig secretaris van Erasmus in contact met Vivès. Bertholphe, een Gentenaar die asiel nam in Lyon, had Rabelais op de hoogte gebracht van de systematische lastercampagne die de pauselijke legaat Jeronimo Aleandri tegen Erasmus voerde. 

Moderne geschiedschrijvers hebben niet geaarzeld om Erasmus te beschuldigen van te lijden van een “vervolgings syndroom”. Erasmus las achter de woorden die tegen hem geschreven waren de geest van Aleandri en Beda. Hij dacht zelfs dat Jules Cesar Scaliger, een averroiste van de Universiteit van Padua en ciceroniaan, erg geprikkeld door Erasmus’ satire, niets anders dan een stroman was voor Aleandri. Dat was inderdaad veronderstelbaar, sinds Cicero zelf zich uitgaf over wat hij dacht het “goede karakter” te zijn van deze Romeinse keizer. Naast dit getuigenis van genegenheid, geeft Rabelais aan Erasmus een waardevolle tip betreffende Scaliger. De man blijkt een uitgeweken afstammeling te zijn van de Scaliger familie van Verona die werkt als arts in Agen, tegen Bordeaux.  

Om de veiligheidsgevoelige inhoud af te schermen van nieuwsgierigen, schrijft Rabelais deze passage in het Grieks, een taal die wezenlijk alleen de humanisten beheersten. En hij voegt er aan toe: “en bij Zeus, hij heeft geen goede naam; ‘t is zeker en vast de duivel; in ’t kort, als hij enige artsenij ken, hij is totaal goddeloos, zo volledig dat niemand het ooit zo volledig zijn kan”. Rabelais, om Erasmus’ gemoed te verlichten, voegt er aan toe, dat “zij in Parijs, die U het goede wensen”, de verspreiding van het lasterboek hebben opgedoekt. 

Terwijl de enen beweren dat Erasmus deze brief nooit aankreeg, zeggen de anderen dat het boek van Scaliger toch gedrukt werd. Maar wat Erasmus schreef in zijn laatste levensjaren klinkt als een echo op de brief van Rabelais: 

Dagelijks ontvang ik vanuit alle streken van het universum dankbetuigingen van zij die me verzekeren dat mijn werken, ongezien hun verdiensten, hun bezield hebben met grote ijver voor de goede wil en de studie van de heilige schriften; en zij die nochtans nooit Erasmus hebben gezien, kennen hem en houden van hem, dankzij zijn boeken.” 

Bibliografie:  

—Bierre, Christine, Rabelais et l’art de la Guerre, Nouvelle Solidarité, 2003.

— Cassirer, Ernst (onder de leiding van) The Renaissance philosophy of man; selected writings of Petrarca, Valla, Ficino, Pico, Pomponazzi, Vivès, University of Chicago Press, 1948. 

— Chomarat, Jacques, Erasme, œuvres choisies, Livre de Poche, 1991. 

— Erasme, Robert Laffont, Collection Bouquins, 1992. 

— Erasme de Rotterdam et Thomas More, Correspondance, Centre d’études de la Renaissance, Université de Sherbrooke, Canada, 1985. 

— Erasme, Colloques, Imprimerie Nationale Editions, Parijs, 1992. 

— Diwald, Hellmut, Luther, Seuil, 1985. 

— Eichler, Anja-Franziska, Albrecht Dürer, Könemann, Keulen, 1999. 

— Epicure et les épicuriens, Textes choisis, Presses Universitaire de France, Paris, 1997. 

— Halkin, Léon E., Erasme, Fayard, 1987. 

— Huizinga, Johan, Erasme, Gallimard, 1955. 

— Lépine, François, François Rabelais, Research paper, 2003. 

— Luther, Martin, Du serf arbitre, Gallimard, 2001. 

— Margolin, Jean-Claude, Erasme, précepteur de l’Europe, Julliard, 1995. 

— Mirak-Weisbach, Muriel, Thomas Morus, Vorbild der Staatskunst, Ibykus, n° 77, 2001. 

— More, Thomas, L’Utopie, GF-Flammarion, 1966. 

— Rabelais, Œuvres complètes, Seuil, 1973. 

— Renan, Ernest, Averroès et l’averroïsme, Maisonneuve & Larose, 2002. 

— Renaudet, Augustin, Erasme et l’Italie, Droz, 1998. 
Sanders, Richard, Erasmus of Rotterdam and the 500 years was against usury, Research paper. 

— 
Tracy, James D., Erasmus of the Low Countries, Berkeley, University of California Press, 1996. 

— 
Tracy, James D., Holland under Habsburg Rule, 1506-1566, Berkely, University of California Press, 1990. 
Vereycken, Karel, Entre Erasme et Venise, qui était Raphaël, Research paper, juin 2000. 
 

 

 

 Naar een vriend(in) sturen  Contact opnemen
 
 
   
  • 55€
  • 1010€
  • 2020€
  • 5050€
  • 100100€
  • 500500€